elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanstoten

aanstoten , aanstooten , Even raken of stooten.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
aanstoten , ansteuten , (= aanstoten) = klinken met de glazen; loa’w ’s ansteuten = laat ons eens klinken. ’t Hoogduitsche anstoszen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanstoten , anstutjen , komen = komen aanstrompelen, zacht, al stootende gaan met een stokje, van oude menschen gezegd. Van kinderen hoort men: hij stutjet mie an, meester! bv. onder ’t schrijven zacht en met opzet aanstooten, eene verzachtende uitdrukking voor: stooten. Zie: stutjen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanstoten , anstootn , werkwoord , 1 door een duwtje iem. ergens attent op maken, 2 klinken, met glazen, 3 hakkelen. Stoot ees an de weege!, drink eens uit!
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
aanstoten , aansjtoote , sjtootde aan, haet of is aangesjtoote , klinken; aanstoten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanstoten , anstoten , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. aanstoten Steut mie toch nich aal an, gao ies wat opzied (Bov), Anstoten gebeurt bij een borrel drinken klinken (Hav) 2. opduwen Oous auto döt het niet, kun wij hum met ’n kander niet even ansteuten? (Eex), As het pèerd het haost niet doen kan, dan stoot ij de wagen an (Sle) 3. hakkelen, stotteren Het proten geet niet zo good; hij stöt een beetie an (Hijk) 4. alsmaar kuchen (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie stöt aal an (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanstoten , anstoten , anstotten , werkwoord , aanstoten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanstoten , aonsjtoete , werkwoord , aanstoten , (zie 'sjtoete' Zw: zich aonsjtoete: met de voet een oneffenheid op het wegdek raken zodat men dreigt te vallen.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
aanstoten , anstoten , (werkwoord) , aanstoten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
aanstoten , [stotteren] , anstoten , (werkwoord) , stotteren. Zie ook: anslaon.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
aanstoten , anstoten , stotteren (Oldebroek, Wezep).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
aanstoten , [aanstoten] , aanstoeate , aanstoten
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
aanstoten , ònstôote , sterk werkwoord , ònstôote - stotte(n) aon - òngestôote , aanstoten; Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSTOOTEN - Meest in wederkeerige of lijdende vormen met de bet. v. slecht, zonder smaak gekleed gaan. Z. a.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal