elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aantijgen

aantijgen , [gaan, beginnen] , antiëen , tieën , in: te werke tieën = aanvangen, aan het werk gaan, met iets beginnen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
aantijgen , [aanrijden] , ãntîen , (sterk werkwoord) , aanrijden.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
aantijgen , antîen , (sterk werkwoord) , aanrijden; met gevaor argens antîen, ergens aanrijden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
aantijgen , tú an , trek an = trek aan, alleen in: tu an Jan, ʼt is ʼn bōlkalf, (zie: bōl 1), ook Oostfriesch, en aldaar: antêën, antîën, antûën, Holsteinsch anteen, Oldenburgsch tii an, Oud-Friesch ontia, Angel-Saksisch onteen = aantrekken, tot zich trekken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aantijgen , antieng , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: tiege, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: t , aanrekken, van kleren en derg.
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
aantijgen , antieng , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: tiege, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: t , beschuldigen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
aantijgen , antien , antiën, antieden , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook antiën (dva, wb), antieden (po) = 1. aan de gang gaan (Zuidwest-Drenthe, zuid) Wij zult even antien (Hol), Kwan jonges, wij meut weer antien (Rui) 2. sneller rijden met paard en wagen (Zuidoost-Drents zandgebied) IJ moet wat antien (Sle) 3. beschuldigen (wb), zie ook antiegen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aantijgen , antiegen , onbepaald werkwoord , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = beschuldigen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aantijgen , antiegen , werkwoord , beschuldigen, aanwrijven
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal