elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: breuk

breuk , breuke , overtreding, en = boete ten gevolge overtreding eener verordening, (Gron. en OGron. breuk). Dr. Landr. (1712) I, 13, II, 43: gebroken hebben = in boete vervallen zijn; III, 10: bij de breuke van vijf Goutguldens; IV, 20: breuke en boete. Id. (1608) I, 8: breecken dertig goldgl.; ald. 10: sullen gebrooken hebben; II, 31; IV, 2: boeten ende breucken; I, 3: poene ende breucken.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
breuk , breuk , boete; breuk kriegen = beboet worden; verbreukt = verbeurd, aan boete schuldig zijn. Ommel. Landr. VI, 1: boete en breucke; Old. Landr. V. 1, 2 e.v. I, 43, 49 broeke. Middel-Nederlandsch broke, broeke, breuke, broecke, Middel-Nederduitsch broke = boete. (Verdam). Drentsch breuke = overtreding, en: boete ten gevolge overtreding eener verordening. (Ingevalle rechterlijk vonnis zegt men niet: breuk, maar: boete.) Zie: breuken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
breuk , brùkke , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , breuk. Ne brùkke as n dreejskuutjeen, een erge breuk
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
breuk , breuk , vrouwelijk , breuke , breukske , breuk, ’n Breuk wie de Paatesjkirk: een zware breuk.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
breuk , breuk , breuke, brök , breuken , Ook breuke (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), brök (Pdh, Scho) = 1. breuk Der zit een breuk in de disselboom (Eli), Der zat veul breuk in die koekies veel gebroken koekjes (Eri), Hij is opereerd an een breuk (Nor), Die hef hum een breuk warkt zich kapot gewerkt (Schn) 2. overtreding, ook boete (Eel, wp) Ik heb een gulden breuk kregen omdat de waterlossing nl. niet in orde was (Eel), In de breuk slaon beboeten (wb: Kop van Drenthe), zie ook breukmeester
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
breuk , breuke , breuk
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
breuk , breuke , breuk , zelfstandig naamwoord , de 1. barst, scheur e.d. in een voorwerp, een bouwwerk enz. 2. breuk in één der beenderen. 3. bekende lichamelijke aandoening in de vorm een uitzakking van een ingewand, vaak: liesbreuk. 4. bekende rekenkundige eenheid: breuk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
breuk , breuk , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , breuke , bruükske , breuk , (in rekenkunde) breuk VB: Ién breuke, dao wäor ich good ién bié Van Donk, ién taol neet.; bruük breuk (letsel) bruük VB: 'r Haw zich haos 'n bruük geluch aon die zjoer kis. Zw: (bedreiging) Ich sjtaamp dich dalik 'n bruük mêt sjûifdëure!
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
breuk , bruëk , zelfstandig naamwoord , bruëke , bruëkske , breuk
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal