elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bril

bril , bril , in: iemand ’n bril veur de neuze (of: neus) zetten = zijn uitzicht beletten, bv. door het zetten van eene schutting, het timmeren van een gebouw, dus een voorwerp woar hij tegenanbrillen ken. (v. Dale: iemand eenen bril op den neus zetten = misleiden, bedriegen, teleurstellen, en: brillen = foppen misleiden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bril , bril , (bijwoord) , Alleen in de uitdr. bril kijken, verkeerd kijken, niet goed uit de ogen zien. || “Komt vader daar niet an?” “Och jongen, je kijke (kijkt) bril.” Der is niks van an, je heb zeker weer bril ’ekeken. – In het Fri. heeft bril de betekenis van beneveld, half dronken (HALBERTSMA 514). – De uitdr. bril zien, bril toezien, toekijken, is ook bij de 17de-eeuwse Amsterdammers zeer gewoon. De betekenis is beteuterd kijken. || Het mallen, het stoeyen en had gheen end’, tot dat ouwe Franck haer daer op bekipte; doe keeckense bril toe, Venus minnegifjens, f° 47 r°. (Wy) kregen so veel Bonsjours en Baeselmanis (kushandjes) van de rijcke monseurs, en soo veel goen dach van pelsen en schruers (kleermakers), dat hij bril sach (beteuterd raakte), BREDERO, Moortje 736. En weet gy niet als sy van Ritsart (de medeminnaar) rept, hoe bril dat ghy dan siet?, ald. 1271. Ick (de meid) seyde mijn huur op: mijn Vrouw’ die sach bril toe, Spa. Brab. 789. Zie verdere voorbeelden uit HOOFT en VONDEL bij OUDEMANS, Wdb. op Bredero 73; Wdb. op Hooft 62.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bril , bril , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Ook als naam van enige stukken land te Assendelft, die in vorm op een bril gelijken. || Cornelis Roelofsen, genaemt de brillen, Maatb. Assend. (a° 1634). Noch de bril int selffde weer, ald. (a° 1633).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bril , brille , (vooral Stad-Groningsch) = bril; Hoogduitsch Brille. Evenzoo: kamme, enz.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bril , brillĕ , bril.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bril , brille , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , brilln , bril
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bril , bril , zelfstandig naamwoord de , Bril. Zegswijze ’n dikke bril hewwe, stomdronken zijn. Verkleinvorm briltje. Zegswijze ’n briltje hewwe, lichtelijk verheugd zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bril , bril , mannelijk , brille , brilke , bril, zie het oudere: sjpikkeleieriezer; w.c. zitting; vroeger afdekplank met gat en deksel van ouderwets privaat.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bril , brille , bril.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bril , bril , brille , brillen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook brille (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. bril Hij had de brille op het tippie van de neuze (Erf), Twie jeuden, ... kooplui weet best wat ien bril kost zijn twee handen op één buik (Sle), Dat is een male bril op de neus, die garage vlak veur heur glaas obstakel, dat het uitzicht belemmert (Row), Hij hef mij een bril op de neus zet dwarsgezeten (Nor) 2. wc-bril Hij is nog te gierig um een neie brille op het huusien te maken (Ruw) 3. strop of voorwerp op de neus van een paard (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) As het pèerd beslagen mot worden en hij wil niet staon, krig e de brille op de neus (Hijk), zie ook praam
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bril , brille , bril
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bril , bril , toilet , Ik héb hum liever óp d'n bril és in de kost. Ik heb hem liever op het toilet als in de kost. Hij eet meer op dan hij verdient.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bril , brille , bril , zelfstandig naamwoord , de 1. bril 2. stofbril, lasbril e.d. 3. zonnebril 4. brilvormig maaksel van russen 5. praam op de neus van een paard; iene aorig de brille opzetten hem/haar de duimschroeven aandraaien 6. iets dat het uitzicht bederft, belemmert, bijv. As we daor henne kieken, hebben we altied een brille op, we kun niks zien 7. hetz. als kramme, bet. 3. 8. zitting van een wc
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bril , brillechie , zelfstandig naamwoord , lorgnet Hij droog zôô’n klaain brillechie met een knijper op z’n neus Hij droeg zo’n knijpbril op zijn neus
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bril , breel , zelfstandig naamwoord mannelijk , brêlle , brêlke , bril , VB: Ich heb 'nne lësbreel nudig, ich mërk 't. Zw: 'nne Merûilebreel: niet bestaande bril in verband staand met het feit dat 'merûile' (voorjaarspaddestoelen) uiterst moeilijk te vinden zijn); oogstwagen (deel van een oogstwagen) breel (m) (-, -,))
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bril , brille , (zelfstandig naamwoord) , bril. Zie ook: fokke.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bril , bril , (mannelijk) , brille , brilke , 1. bril 2. gevlochten rozijnenbroodje met Sinterklaas
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bril , bril , zelfstandig naamwoord , "bril; Pierre van Beek - Van een man met opvallend kromme benen kon men horen zeggen: ""Hij loopt mee 'nen bril; het is een goeie om een verken te vangen"". De bril waarmee we hier te maken hebben, was een rond gat in de planken wand van een varkenskot. Het varken moest hier; de kop door steken om uit de aan de buitenkant staande trog te kunnen eten. Dit was bruikbaar voor een varken van drie maanden maar ook voor een groter. Het werd afgesloten met een houten schuif, welke door een pinnetje in een gaatje op bepaalde hoogte kon worden vastgezet. Men meldt ons ook, dat van iemand met kromme benen gezegd werd: Hij staat ""vene teens"". Met dat ""vene"" weten we helemaal geen raad. (Tilburgse Taalplastiek, aflevering 108, 1970)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bril , brael , bril , brilke , bril
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal