elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bruiloftsnodiger

bruiloftsnodiger , [iemand die bruiloftsgasten uitnodigt] , brülleftenöger , zie brûdsnögers.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bruiloftsnodiger , brulftenöögers , meervoud , nodigers voor een bruiloft
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bruiloftsnodiger , brulfnnuegr , zelfstandig naamwoord , iem. die voor ’n bruiloft uitnodigt
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bruiloftsnodiger , brulftenneugers , mensen die je komen uitnodigen voor het vieren van een bruiloft.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bruiloftsnodiger , brulfteneuger , de , (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe) = de man, die de bruiloftsgasten uitnodigde De brulofneuger, dei gung het volk bijlangs. Dei leup met een staf in de haand, versierd met rozen en zee bij het volk een gedicht op (Eel), zie ook wasschupsneuger en broedneuger
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal