elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: buffel

buffel , buffel , dikke wollen stof waarvan men, vroeger algemeen, ook nu nog jassen en overjassen draagt; ook het kleedingstuk zelf: ’k zel mien buffel antrekken. Weil.: buffel, een zeker grof en harig kleed, overrok, Fransch bufle, dewijl dezelve eertijds van buffelsvel gemaakt werd. – v. Dale: buffel, stof die op buffelsvel lijkt: buis van buffel, en: duffel, eene soort van de grofste wollen stof, die waarschijnlijk haar naam ontleent aan het Zuid-Nederlandsche dorp Duffel. Het Neders. Wb. heeft: duffel, eene soort van de grofste wollen stof en leidt het af van: dubbel, Latijn duplex. – Thans wil hier het gebruik meest: duffel; de lagere klasse houdt zich aan: buffel. (v. Dale heeft beide ook als voorwerpsnaam)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
buffel , bufl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , bufls , lomperd
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
buffel , buvvel , 1. buffel. 2. lomp gevoelloos iemand
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
buffel , buffel , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. Iemand die of iets dat zeer groot, lomp of sterk in zijn soort is. | ’t Is ’n sterke buffel. Wat moet je mit zô’n buffel van ’n kast an? 2. Schoft, pummel. 3. Gulzige eter. 4. Luide oprisping, luide veest.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
buffel , buffel , mannelijk , buffele , schreeuwer.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
buffel , buffel , de , buiffels , 1. buffel 2. lompe, sterke kerel Het is altied een buffel in het wark ewest; nou is het niet veule meer (Hol), Een starke buffel van een kèrel (Man) 3. duffelse jas (wb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buffel , buffel , lompe kerel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
buffel , buffel , zelfstandig naamwoord , de 1. bep. rund: buffel 2. zeer sterke en/of zwaargebouwde man 3. onbeschofte, lompe man 4. duffelse jas
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal