elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: buurtschap

buurtschap , boerschap , de ingezetenen van een dorp of gehucht = de boer. In: Order enz. op de Schouw van Wegen, enz. in Drente (1803) o.a. art. 12,17 komt voor: Karspillen of Boerschappen. Westerw. (Gron.) boerschōp = de boeren die tot één waterschap behooren. Zij vergadert éénmaal in het jaar om Lichtmis (2 Febr.) en alsdan doet de boerrichter rekening.Oostfr. buhrskupp = de ingezetenen van een dorp.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
buurtschap , [woongemeenschap] , bûrschap , (vrouwelijk) , gehucht.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
buurtschap , [gehucht] , bûrschap , (onzijdig) , gehucht.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
buurtschap , boerschōp , boerschip , (boerschap), in Westerwolde de boeren die tot één waterschap behooren. Zij vergadert eenmaal in ’t jaar, om Lichtmis (2 Februari); alsdan doet de boerrichter rekening. Drentsch boerschap = de ingezetenen van een dorp of gehucht = de boer; Oostfriesch buhrskupp, Hoogduitsch Bauerschaft = alle boeren van een dorp, Zweedsch burskap = burgerrecht. Vgl. noaberschōp, en: buurtschap.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
buurtschap , bůůrschop , [bůrsxop] , vrouwelijk , gehucht
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
buurtschap , boerskop , boerengehucht
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
buurtschap , boerskip , zelfstandig naamwoord de , Pachter, pachtboer (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
buurtschap , boerschop , buurtschap.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
buurtschap , boerschup , de , boerschuppen , 1. de markegenoten, ingezetenen van een dorp Dat perceel is aordig groter worden, deurdat er een houk bij anscheiden is van de boerschup (And), De boerschup hef de wegen slicht (Gro), De hiele boerschup was er te stienen bikken (Zwig), zie ook boer I 2. de buren aan weerskanten (Zuidwest-Drenthe, noord)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buurtschap , buurtschup , buurschup , Ook buurschup = buurtschap, buurt De buurtschop is an ezegd um de weg vrij te maken (Pes), In verschillende buurtschappen bint nog aolde gebruken (Git)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buurtschap , boerschop , waterschap.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
buurtschap , buurtschop , buurschop , zelfstandig naamwoord , de, et 1. buurtschap, gehucht gezamenlijke betrekkingen die een aantal buren onderhoudt, vaak in de vorm van een vereniging 3. vergadering van zo’n vereniging 4. betrekking als buur
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
buurtschap , buurtskop , buurskap , (zelfstandig naamwoord) , buurtschap.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal