elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: daags

daags , daags , daegs, deags, daais , des daags; zoo: daagsche, (enz.) zundagsche (enz.) pette. Dezelfde klankwisseling ook met: dagen, daol, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
daags , doags , dagelijks, en: elken dag; dat wief gait doags noa ’t land = zij gaat elken dag naar het land te wieden, enz., en ook: des daags werkt zij op het land. – Ook bijvoeglijk naamwoord in: doagse koamer = het gewone woonvertrek, ter onderscheiding van vreie koamer, waar men bezoek ontvangt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
daags , dagens , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , Daagsch en daags. Dagens en sündagens. Mîn dagense jas. Van een klepperman zal men zeggen: Dagens slö̀ppe en ’s nachens lö̀ppe – daags slaapt hij en ’s nachts loopt hij.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
daags , dagens , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , Daagsch en daags. Dagens en sündagens. Mîn dagense jas. Van een klepperman zal men zeggen: Dagens slö̀ppe en ’s nachens lö̀ppe – daags slaapt hij en ’s nachts loopt hij.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
daags , däägens , [dǣŋs] , overdag
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
daags , däägs , bijvoeglijk naamwoord , daags. Däägse kleer: dagelijks kleren, echter: ne daegense bokse.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
daags , daangs , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , 1 overdag, 2 op werkdagen, bn. daags
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
daags , daogs , daogs d’r nao, daogs d’r op de dag erna; daogs teveur de dag ervoor; dagelijks; daogs naoderhând, daogs naodien de dag daarna; daogs van tevörre de dag tevoren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
daags , daags , bijvoeglijk naamwoord , Alledaags, eenvoudig, ouderwets. | ’t Benne van die daagse mense.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
daags , daegs , daengs , 1. overdag. 2. voor iedere dag.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
daags , daegse , 1. daagse; 2. ’t daegse goed: werkkleding.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
daags , daengs , 1. overdag; 2. voor elke dag.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
daags , daags , daogs, daegs, daes, daais, , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook daogs (Noord-Drenthe), daegs (Zuidwest-Drenthe, noord, ook uitgesproken als daes), daais (Zuidwest-Drenthe, zuid) = daags, overdag Ze löp ’s aovends bij ’t pad, daags ziej ze niet (Noo), Daegs giet het wel, maor ’s naachts hef hij vaeke piene (Vle), Hij verdaint vief gulden daogs (Eco), Hij kwam daags veur Pinkstern de dag voor Pinksteren (Nsch), Ik mout nog een daogse boks hebben (Vri), Ik loop er wal wat daags bij niet op zijn zondags (Sti), Dei jas heb ik veur daags (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
daags , daas , daags
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
daags , -daegs , -daes , -daags, tweede lid in vierdaegs, zesdaegs e.d.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
daags , daegs , daes , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , 1. overdag, in de tijd van de dag, per dag 2. op de dag 3. doordeweeks, op gewone dagen benut
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
daags , daegs tevoore , bijwoord , daags tevoren Daegs tevore wazze ze nog weze kijke, maor niks gewaor geworre Daags tevoren waren ze nog wezen kijken, maar ze hebben niets gezien
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
daags , daegse , bijvoeglijk naamwoord , daagse Je had daegse klere, saeterese klere en een sondes pak Je had daagse kleren, zaterdagse kleren en een zondags pak
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
daags , daogs , bijwoord , daags , daogs VB: daogs nao de perséssie ês de sjöttendeens. Zw: Al daogs: elke dag.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
daags , [overdag] , dagens , overdag (N.O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
daags , veur-de-dag , voor dagelijks gebruik (bijv. kleding).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
daags , daags , dagelijks
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
daags , staags nao , daags na (ontstraan uit de genitiefvorm ‘des daags’)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
daags , dògs , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , in de tweede naamval; van de dag; Audioregistratie 1978 –  “Mar dògs nòdderaand moes de klèène òngegeeve wòrre bij de geminte, moeste en getèùge hèbbe, war, mar die koste toen al êene vatte van de straot, die zeej “Jan, kom èfkes meej getèùge zèn”, mar ge had mist dè de buurman meej gong…” (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels); Audioregistratie 1978 - En dan kwaam de slager, hè, òf de slachter dògs nòdderhand. Dan kwam ie saoves gewoonlek èn dan kwaamie die zaak kepòt snije… èn dè ging dan in en hille grôote tòn…  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels); daogs; daags; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - dògs nò de mèrt koome, nèt as Jan meej zen kieviete (= draagmars) ('70) - te laat komen; zie dògs
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal