elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: daaien

daaien , daien , in de kleinekinder-taal, voor: warmen, verwarmen; de handjes en voetjes daien; de kruik is zoo dai!dai dai dai! zegt de baker. Ook hoort men het van groote menschen: dai, daai voor: warm, maar dan willen zij zich in de kindertaal uitdrukken. – daai is eigenlijk Friesch, in het Oud-Friesch daia = dulden, verdragen, lijden moet hier o.i. in aanmerking komen. Wanneer de moeder toch zegt: dai dai! dan is dit vaak zooveel als: houd u maar stil, laat het maar begaan, spartel niet tegen, want uwe voetjes worden er warm van.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
daaien , dàjn , werkwoord, zwak , doelloos lopen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal