elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: damp

damp , damp , (mannelijk) , dempe , damp.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
damp , damp , (mannelijk) , dampe , damp.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
damp , dempĕ , benauwd op de borst, kortademig, van paarden gezegd (cornaat).
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
damp , daamp , zelfstandig naamwoord, mannelijk , deampe , 1 damp, 2 rook, 3 mist. t in daamp jaang, zich ergens mee haasten; daamp op reang kan de loch neet verdreang, damp in de lucht, na regen, voorspelt nog meer regen; nen kòoln daamp, een koude mist
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
damp , deampken , zelfstandig naamwoord , trek aan sigaar
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
damp , damp , zelfstandig naamwoord de , Damp, mist. Zegswijze de damp in hewwe, de smoor in hebben.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
damp , damp , bijvoeglijk naamwoord , Mistig, vochtig. | ’t Is damp weer. Vgl. Fries damp.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
damp , damp , mannelijk , dampe , damp; wasem; rook.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
damp , damp , daamp , dampen , Ook daamp (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. damp Bij het leverworst koken sluug de damp der of (Pdh), Het peerd is zo nat van zwiet, damp slag er of (Dro), Hie har goed de dampen in was kwaad (Sle) 2. rook Wat een daamp in de kaemer! (Dwi) 3. mist Zo ineeins komp der een aordige damp opzetten, net was het nog helder (Eex), As der ’s aovends daamp aover het laand is, kriew miesttied de aander dag mooi weer (Dwij)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
damp , demp , dempig, dempe , Ook dempig, dempe (Zuidwest-Drenthe) = 1. dampig, aamborstig Mit mistig wèer is opa vaeke wat demp (Die), Ik bin zo demp as een kaarn (Sle), ...een old peerd (Hgv), Een dempig peerd hiemt (Rui) 2. bedorven (Zuidwest-Drenthe, zuid) Wat is er een malle, dempe locht ien de opkamer, het raam mag neug een poze lös (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
damp , demp , de , benauwdheid Hij hef last van demp, hij is zo dempig as een peerd (Bov), Dat peerd wi’k niet hebben, der zit demp in (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
damp , damp , damp, mist
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
damp , dempe , demp , bijvoeglijk naamwoord , kortademig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
damp , damp , daamp, dampe , zelfstandig naamwoord , de 1. waterdamp of damp van een andere vloeistof 2. mist, nevel, geheel van waterdamp in de lucht 3. rook, walm
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
damp , damp , daamp , bijvoeglijk naamwoord , damp, vochtig, bijv. damp weer vochtig weer, licht regenachtig weer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
damp , dampe , uitdrukking , Hij hetter de dampe in Hij heeft er de smoor in
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
damp , daamp , zelfstandig naamwoord mannelijk , daampe , - , damp , VB: Druug 't përd aof, d'n daamp gèit langs 'm op.; ochtendnevel VB: Wat ês dat sjoen es 'n daamp zoe uüver de wejje lik en de zon ês aon 't opkoëme.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
damp , damp , dauw
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
damp , damp , (zelfstandig naamwoord) , mist.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
damp , damp , (mannelijk) , dampe , stoom, damp, wasem
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
damp , dâmp , zelfstandig naamwoord, mannelijk , wasem
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
damp , daamp , zelfstandig naamwoord , damp; WBD (III.2.1:218) 'damp' = 'rook' = 'blaak'; WBD (III.4.4:59) 'dampig' = mistig; WBD (III.4.4:212) 'damp' - damp, stoom; WBD (III.2.1:217)'dampen' = idem (ww)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal