elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dan

dan , dan , in Hoogeveen voor; als, en: dan; niks dan lange turf; meer dan dree uur bie zunne. Vergel. as.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
dan , den , (bijwoord) = dan; den is hij hier en den is hij doar = hij is nu hier, dan daar; den en den willen ze komen = omstreeks dien tijd; de pêrfecter is van den tot den te spreken, bv. van 10-2 uur; van den tot den is hij oet stad, bv. van den 10 den tot den 20 sten. Van gehalte als: zus en zoo, en wordt alleen in den verhaaltrant gebruikt wanneer de juiste tijdsbepaling den hoorder onverschillig is. – Na zulk eene bepaling wordt het woord overtollig in: mör’n den gait’e vōt; zöndag den komen ze bie ons; in Mai den bin ’k joarîg; ankoom harst den is ’t tien joar leden dat mien mouder sturven is; mit drei week den is ’t mart. – Ook wanneer bij eene vraag het woordje: toch, wordt weggelaten of er voor in de plaats kan gesteld worden. wat wiltoe den? = wat wilt gij (dan) toch? wat zee hij den? = wat zei hij toch? wilt gijn kōffie hebben den? zooveel als: gij wilt toch wel een kopje koffie gebruiken? “Woar bin joen volk den?Dij bin noa toen te arten teppen”, (Vredewold); ie komen den? = gij komt dus? wenneer komt hij den weer? = wanneer komt hij terug? sloap wie den zoo lank? = meent gij dat wij zoo lang slapen? hou den? = hoe meent gij dat zoo? woar den? (met sterken nadruk op: den), waarop als antwoord kan volgen: (het voorwerp) ligt in de bovenste lade, rechts, en dus zooveel als: waar dan toch moet ik het zoeken? Vgl. het Hoogduitsch: wo ist er denn? = waar is hij dan toch? wie is denn? = hoe dat? hoe zoo? wie ist ’s möglich denn? enz. –
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dan , dan , den , (bijwoord) , Daarnaast den. Zie de wdbb. || Kom den. – Vgl. astin en houweer.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dan , den* , 2: “dan en dan” ook Nederlandsch.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
dan , dan , bijwoord, voegwoord , dus dan. Neet dan? Is ’t niet?
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
dan , dan , bijwoord , op die tijd
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
dan , den , bijwoord , 1. Dan. | Moet jij den niet te werk? 2. Voorts, bovendien. | Ze is ien dag bai oôs te werk en den is ze ok nag ’n ochend bai Klaas te help. Zegswijze dén die week, die desbetreffende week. | Dén die week kom ik niet, want den hew ik vekansie. Zo ook: den die maand, den dat jaar, enz. Opmerking: In het Westfries wordt dan als voegwoord altijd vervangen door ’as’. | Hai is ouwer as moin.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dan , danne , dan.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
dan , dan , bijwoord , dan Dan moej het zo maor doen (Hoh), Aw det klaor hebt, wat mut er dan gebeuren? (Koe), En wat dan nog! (Sle), Morgen hew feest, dan warkt wie nich (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dan , dan , dan
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dan , dan en dan , bijwoord , op dat moment, op die dag Dan en dan gaot ’t gebeure, zurreg dajje d’r bij bin Op die dag gaat het gebeuren, zorg dat je er bij bent
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
dan , daan , dan , daan VB: Es ich vêrdig been daan kaom ich. Zw: Ja daan!: uitroep die ongeloof over het te bereiken resultaat of een dreigement inhoudt.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
dan , den , (de~n) , dan, daarna
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
dan , den , denne , dan; ao denne! – o, nu begrijp ik het; o, zit het zo
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
dan , tintj , bijwoord , (Ospels) volgend (jaar/seizoen)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal