elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dekken

dekken , dekken , voor: het overdekken van de doodkist, en vervolgens van de hekken op de graven met dezelfde sprei van zwart laken, doodeloaken of doodklijd geheeten. Zulk een kleed is het eigendom van de diaconie der Hervormden, en het dekken het werk van den onderwijzer-koster. De welgestelden laten dat eenige zondagen achtereen doen, en het dekgeld (voor elke maal 30 cents) werd tussen den koster en de diaconie gelijkelijk verdeeld. In sommige dorpen zorgen (of zorgden) de aanzienlijkste ingezetenen zelve voor zoodanige sprei en laten (of lieten) daarop den naam van den doode met witte koord stikken. Over-Betuwsch dôdenlaken = laken over de doodkist. – (Wordt in de Ommelanden het lijk eener kraamvrouw grafwaarts gevoerd dan legt men bovendien eene servet op hare doodkist.)
behoeden voor den ondergang, bv. voor gevangenisstraf of voor een bakroet; zij hebben hōm dekt = eigenlijk zooveel als: zijne schuld is door bemiddeling van anderen gedekt; ’t is dekt = door bekooping of voorspraak is de zaak in den doofpot gedaan. Middel-Nederlandsch decken = dekken, verborgen houden, geheim houden. (Verdam).
bij sommige spelen, o.a. jassen en het 66 spel zooveel als: de kaarten neerleggen als de speler weet of meent het vereischte getal punten behaald te hebben. Alsdan legt men bij ’t jassen de kaart of kaarten die men nog in de hand heeft, en bij het andere spel, evenals bij ’t smousjassen, de troefkaart, die open op tafel ligt, om, en zegt: ik dek.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dekken , dekng , werkwoord, zwak , bedekken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
dekken , dëkke , dëkde, haet of is gedëk , dekken. Haut dich gedëk: hou je hoed maar op.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
dekken , dékke , vrouwelijk dier bevruchten.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
dekken , dekken , dekken, edekt , dekken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
dekken , dekken , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. dekken Wie möt de taofel dekken? (Oos), Zie neemt het veur hom op, zie dekt hom aan ale kaanten (Erf), Die oetgaven bunt nich dekt (Bco) 2. bedekken Wij hebt de achterkant van de schure vannei dekt (Scho), Wij moet de zaodbult nog dekken (Sle), Die pannen dekt mooi en vlug (Eex) 3. bespringen, bevruchten Wij hebt vandage twee koenen laoten dekken (Man) 4. in dekking gaan (Zuidwest-Drenthe, noord, Veenkoloniën) Dekt oe! (Dwi), Die wil zuk dekken! verstopt zich (Eco) 5. leggen Een tweibak op de stoet dekken (Sle), Ik heb er een troef op dekt bij het kaarten (Pei), Ik moe der nog wat bij op dekken er iets meer deklaag op doen (Sle), Wie habt hum der flink wat op dekt pak slaag gegeven (Nsch) 6. er vandoor gaan (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) Hij hef het heeil spul metnummen, hie is der met dekken gaon (Eex), Die gaait er met dekken nl. met de erfenis (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dekken , dekken , werkwoord , 1. dekken; 2. rieten dak op een pand aanbrengen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dekken , dekken , werkwoord , 1. dekken, bedekken: van een daklaag voorzien 2. in het bijzonder: rietdekken 3. dekken van de tafel 4. dekkend zijn (van verf e.d.) 5. sluitend zijn, passen op 6. tegen een vijandelijke aanval beschermen 7. op de juiste wijze verdedigen tegen een aanval bij de korf 8. in mekeer dekken elkaar beschermen 9. dekken van de kosten, een schuld e.d. 10. bevruchten, bespringen 11. erop slaan 12. in dekken gaon mit ervandoor gaan met iets
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dekken , dêkke , werkwoord , dêkde, gedêk , dekken , VB: 'n Miét, 'n krotekoûjl, 'nne silo en 'n koo wörde gedêk.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
dekken , dèkke , dèktj, dèkdje, gedèktj , 1. dekken 2. afdekken 3. bevruchten , Kóns se mich de taofel dèkke?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
dekken , dèkke , zwak werkwoord , dekken; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Veul moete dèkken èn schèète (Kn'50) - In stilte veel hulp verlenen; WBD III.4.2:25 'dekken', ook: 'bespringen', 'rijden'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal