elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: doesterig

doesterig , doesterig , dof in t hoofd.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
doesterig , doestereg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1 ongekamd, 2 soezerig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
doesterig , doesterig , slaperig, suf.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
doesterig , doesterig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuid-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. slaperig Aj een aovend veule draank had hebt, dan kiek ie aordig doesterig toe (Zdw) 2. beduusd (Zuidwest-Drenthe) Hij stötte zien kop, hij was ter doesterig van (Hgv) 3. slonzig, smerig (Zuidwest-Drenthe) Wast ie oe ies wat beter, ie ie kiekt er zo doesterig uut (Die) 4. koud, winderig, regenachtig (Zuidoost-Drents veengebied) Het is zuk doesterig weer vandage (Klv), zie ook toesterig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
doesterig , doesterig , 1. slaperig; 2. onwel (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
doesterig , doestereg , suf. Ik bin de hele dag ’n bettien doestereg.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
doesterig , [slaperig] , doesterig , (bijvoeglijk naamwoord) , slaperig, suffig, dommelig. Ik binne een bettien doesterig int eufd. Zie ook: dummelig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal