elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: donder

donder , dunder , (= donder), in: arme dunder = arme drommel; ook Gron. arme dōnder, ofschoon: dunder = donder.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
donder , dunder , donder, ook voor: bliksem; ’n 31 Julie 1891 is de dunder in ’t dörp Warfum binnen de tied van tien menuten op vief ploatsen insloagen; brand is ’t r nijt van komen. Zegswijs: nou zel de dunder deur ’t worsthoorndien sloagen (Stad-Groningsch) = doar zel de duvel deursloagen = daar moet een eind aan komen, of: dat gedoog ik niet, dat zal ik beletten. Vgl. Verdam: donderslach, ook een door donder begeleide bliksemstraal; ook voor de bliksem, als wapen van Jupiter. – dundêrn = donderen. Vgl. dōnder.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
donder , dōnder , verzachtend voor: duivel, Oostfriesch dönner; ’n arme dōnder = een arme duivel, ook Drentsch; dat het den dōnder wel wijten! (dat heeft die drommelsche jongen wel geweten), ook Oostfriesch; om de dōnder nijt. eenigszins minder ruw dan: om de duvel, of: soatan, of: bliksem nijt; minder forsch zegt men: om de hond nijt, om de dood nijt; – doar kenst dōnder op zeggen! = dat zal stellig gebeuren, twijfel daar maar niet aan, enz.; ’t scheelt ’n dōnder om ’n enn’! = ’t verschil is zeer groot.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
donder , donder , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. raasdondertjes.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
donder , doonder , mannelijk , donder. Doonder op ’n kaalen toug, et heele jaor waater genoug.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
donder , donder , zelfstandig naamwoord, mannelijk , man dien men iets verwijt
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
donder , doondr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , donder
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
donder , donder , v , gén donder niets; lijf Hél zien donder deej pien Heel zijn lijf deed pijn; Op zien donder kriêge op zijn donder krijgen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
donder , donder , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze die donder!, uitroep van schrik of verbazing. – D’r is gien donder meer an de lucht, er is geen vuiltje meer aan de lucht. – Gien donder, niets. | Ik vond er gien donder an. – Donder in ’t hooi, naam van een ouderwetse boerendans. – ’n Malle donder, een malle bliksem.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
donder , tonnaer , nón de tonnaer, bastaardvloek.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
donder , dónder , onweer.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
donder , donder , de , donders , 1. grof woord voor lichaam Aj niet opholdt te klieren, kriej wat op je donder (Hijk), Hij kreeg een laog op de donder een pak slaag (Eri), Waog het ies, aj het hart in je donder hebt (Sle) 2. persoon Die aarme donder daor veur de deur zuj echt wel wat meer geven muggen (Eex), Die lillijke oolde donder hef oes der mooi tussen had (Pdh) 3. krachtterm Donder en gien ende, wat een brutaol jonk (Ruw), Dat gait neit deur, om de donder nait (Vtm), Wat donder, wat döste daor (Row), Je kunt er donder op zeggen dat het weer verandern moet (Eri), Hest dat veur niks kregen? Um de dooie donder niet (Wei), zie ook dunder, donderhaling
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
donder , dunder , donder , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook donder (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. onweer As der dunder in de locht zit, doout paartie honden niks as hoelen (Eex), Wij kriegt dunder, de biest bint an ’t beersen (Sle), De dunder is der over gaon, der komp niks van terecht als er van een kloek op eieren niets terecht is gekomen (Sle) 2. donder De donder was direct op het lochten (Mep), Het was zwaor weer, de dunder was niet van de locht (Ndo) 3. arme drommel (wm) Een arme dunder (wm). Tegenwoordig is donder gebruikelijk Dunder op dood holt gef een zummer nat en kold (Zui); Donder in zoor holt, het veurjaor nat en kold (Geb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
donder , donder , donder
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
donder , donder , zelfstandig naamwoord , de 1. onweersslag 2. onweer 3. gebruikt als krachtterm 4. iemand met de uitgedrukte eigenschap, bijv. een dikke donder 5. lichaam
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
donder , donder , zelfstandig naamwoord , donders , dondertie , lichaam, ziel, bliksem Ze hebben ‘m op z’n donder gegeeve Ze hebben hem op zijn bliksem gegeven Zie ook hier-en-daer
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
donder , donder , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , donder , VB: Vuur hûi wörd donder en bliksem vuursjpeld, dat belaof neet vëul goods. Zw: Dao kêns te donder op zegke. Zw: Öm d'n donder neet Zw: Op z'nnen donder kriége.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
donder , ôp oe dônder krèìjge , een pak slaag krijgen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
donder , [brutale ondeugd] , delder , (zelfstandig naamwoord) , brutale ondeugd.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
donder , dónder , (mannelijk) , donder
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
donder , dónder , zelfstandig naamwoord, mannelijk , donder
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal