elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: donderen

donderen , dōndêrn , in: ’t is dōndêrn = ’t is dōndêrn in de kōmpenie = ’t is mis, er komt niets van. Zie ook: dōnderderei.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
donderen , donderen , (zwak werkwoord) , vgl. opdonderen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
donderen , doondrn , werkwoord, zwak , 1 donderen, 2 met lawaai vallen. Doondrt dood, Loop naar de bliksem!; doondrn in de kaale bueme gef n nat vuurjoar, onweer in de winter voorspelt een regenachtig voorjaar
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
donderen , dondere , werkwoord , in de zegswijze ’m dondere, goede zaken doen. | Hai het ’m van ’t jaar donderd mit z’n tulpe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
donderen , dòndere , werkwoord , donderen. Iemand was niet door de bliksem getroffen, nee, hij was dòòdgedònderd. De angst voor dit verschijnsel zat er diep in. Sint Donatus fungeerde als beschermer tegen het hemelvuur. Een wijze raad als men zich tijdens een onweer in het vrije veld bevindt: “Mijdt de eik, zuuk d’n buuk”. Vermijdt de eikeboom, zoek ’n beuk op. Dònderkoppe zijn dreigende stapelwolken. Dònderköpkes zijn kikkervisjes, ook wel dikköpkes genoemd. Het zijn de larven van de kikvorsen: dikke kopjes met een staartje en twee minuscule achterpootjes. Nog een andere naam: paddeköpkes. Zie ook: dònderplant.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
donderen , erankommendonderen , met woeste vaart naderen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
donderen , dondern , dundern , Ook dundern (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = 1. donderjagen Hol toch op te dondern, anders verkoop ik die aain katjewaai (Vtm) 2. vallen Ik donderde met stooul en aal aachterover (Eex) 3. onweren z. dundern 4. ruzie maken Het was weer dondern in de keet (Sle), Het dundert daor nogal ies (Gro) 5. plotseling opduiken van problemen Wij wolden hen ’t gaanzemark, mor het was dondern. Der wol een koe kalven (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
donderen , dundern , dondern , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook dondern (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. onweren Die koou is al zo aold, die hef het al vaok heurd dundern (Eex), Fiets wat an, ik heur het in de varte al dondern (Noo) 2. donderen Het is zwaor weer, het dondern is niet van de locht (Wsv) Dundern op kale toeg gef het hiele jaor water genog (Zwin); As het dondert op kale bomen, dan krieg ie een vruchtbaar kerkhof sterven er veel mensen (Geb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
donderen , donderen , ‘t hi gedonderd op unnen kaolen bòm, als het al vroeg in de lente onweert, is dat een teken voor een slecht jaar.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
donderen , donderen , werkwoord , 1. onweren 2. donderend klinken (van bijv. kanonnen) 3. in elkaar vallen 4. van werk: er snel doorheen gaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
donderen , dóndere , dóndertj, dónderdje, gedónderdj , donderen , ’t Dóndertj al de gansen aovendj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
donderen , dóndere , werkwoord , donderen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal