elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: erf

erf , èrve , (onzijdig) , erf.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
erf , arf , arve , (onzijdig) , erve , erf.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
erf , arf , arv , erf, weegtree, hoenderdarm, vogelgras, Stellaria media, eene soort van onkruid. Oostfriesch arve, miere; Nedersaksisch, Holsteinsch, Deensch arve. Vgl. mier.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
erf , arf , (onzijdig) = erfenis; hij het ’t arf kregen = heeft de erfenis ontvangen. Evenwel steeds: hij het ’n arfenis te verwachten. Kil. erf, erve, erfgoed; Zweedsch arf = erfenis. Middel-Nederlandsch erf = het door de ouders nagelaten erfgoed, nalatenschap, erfdeel. (Verdam).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
erf , erf , orf , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , vgl. kloostererf. ‒ Daarnaast orf. || Jaag die kippen deris van ’et orf.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
erf , erf , korst van mos of ander aangroeisel op een boomstam. (Verg. erf, eczema impetiginoides, Volksk. 26 (1920), 122).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
erf , aif , [aĭf] , onzijdig , äifien [aĭftiñ] , erf
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
erf , oarf , zelfstandig naamwoord, onzijdig , oarvn , erf
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
erf , èrf , erf ’t Is nie op zien èrf gewâsse Het is niet zijn eigendom.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
erf , erf , zelfstandig naamwoord ’t , Afleiding van het werkwoord erven, in de zegswijze an ’t erf weze, erven, een erfenis krijgen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
erf , urf , zelfstandig naamwoord ’t , Erf.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
erf , erve , mannelijk, vrouwelijk , erfgenaam.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
erf , aarf , örf , zelfstandig naamwoord , (KRS: Wijk, Coth, Werk), örf (KRS: Coth; LPW: Cab) erf om de boerderij. Zie ook *wer(re)f .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
erf , arf , aarve, aarf , arven , (Kop van Drenthe). Ook aarve (Veenkoloniën), aarf (Kop van Drenthe) = 1. erfdeel, erfenis (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) Ze hebt een beste aarf had (Row), Daor was zoveul schulden, dat de kinder hebben de arf neit anvaord (Pei) 2. erfgenaam (Veenkoloniën) Hai is de aarve van dat huus heeft dat huis geërfd (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
erf , arf , arft, aarf, aarft, erft, arg, aarg , (Zuidoost-Drents zandgebied), arft (Midden-Drenthe), aarf (Kop van Drenthe), aarft (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), erft (Midden-Drenthe), arg (Midden-Drenthe), aarg (Kop van Drenthe) = 1. vuil, laag viezigheid, ook van soort schurft Hij het aarf in ’t gezicht (Een), Hij haar aarft op de kop (Eke), De zwienen hebben een dikke aarg op de hoed soort uitslag (Row), De smeerlap het een laog arf op de hoed (Een), De biggen hebt een arf op de rugge (Rol), zie ook narf, barg II 2. glans (Kop van Drenthe) Der lig een mooie aarf op dat peerd (Een)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
erf , arf , arve, aarf, erf , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook arve (Zuidwest-Drenthe, zuid), aarf (Zuidwest Drenthe, noord, Noord-Drenthe), erf (Zuidoost-Drents veengebied, Ass) = erf, heem Dat arf lig der altied netties bij (Rui), De kiepen loopt op ’t arve (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
erf , ärf , ärve , erf. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ärve
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
erf , ârf , erf.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
erf , arf , aarf , zelfstandig naamwoord , et; bij een woning behorend erf
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
erf , érf , zelfstandig naamwoord onzijdig , erf , (o.) (Alleen in de Zw: Dat ês dich oüch neet op d'n érf gewase: daar ben niet eerlijk aan gekomen) (gebruikelijker is 'mêstem')
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
erf , ärve , (zelfstandig naamwoord) , erf.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
erf , êrf , zelfstandig naamwoord, onzijdig , erf
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal