elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ernst

ernst , eernst , (mannelijk) , ernst.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ernst , eernst , ernst; ik mijn ’t in eernst = wat ik zeg is ernst. Middel-Nederlandsch eernst = ernst.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ernst , eernst , ernst
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ernst , earns , zelfstandig naamwoord, mannelijk , reden, goed voorwendsel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ernst , eerns , (bij handgemeen) ernst
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
ernst , èerns , eerns, eernst, èernst , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord). Ook eerns (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), eernst (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), èernst (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord) = serieus, ernstig (gemeend) Het wör hom nou eerns (Row), Ik geleuf dat hij ’t eerns mient (Coe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ernst , èerns , eerns, ernst, eernst , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord). Ook eerns (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), ernst (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), eernst (Midden-Drenthe) = ernst Hij mient het in eerns (Ndo), Hoou woj knikkern, veur de poelegrap of oet eerns? (Eex), Hij zag de ernst er niet van in (Bov), Eerst meuken ze gekheid mit mekaar, maor later dreide ’t op eerns uut (Zdw) *Gekheid is gekheid, maor een iem in de boks is ernst (Emm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ernst , eerns , (Gunninks woordenlijst van 1908) ernst. Gunninks woordenlijst van 1908: ’t Wòdt eerns ‘het wordt ernst’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ernst , ârns , ernst. ’t Wordt ârns met de dreugmaekerieje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ernst , eernst , zelfstandig naamwoord , de; ernst
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ernst , aarst , ernst (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal