elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: es

es , es , esch , Zie eng.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
es , esch , groote uitgestrektheid bouwland: bij Zwolle zegt men enk.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
es , es ,  nes , 1. op vele plaatsen ontstaan uit: op den es. “Onder den naam van esch is zeker gedeelte der markse gronden, dat ontgonnen en tot den graanbouw bestemd is. De esch heet de gemeene esch, omdat zij noch door wegen, noch door greppels, alleen door eene ploegvore, in gedeelten is gescheiden. Bij ’t begin en einde dier vore liggen de scheidsteenen, die door een groen begroeid plekje moeten omzoomd blijven. Wie zulk eene voorsteen losploegt moet zijn buurman er kennis van geven, anders houdt men hem voor oneerlijk. Ieder gerechtigde bebouwt echter hetzelfde stuk grond, dat als zijn eigendom beschouwd wordt. De eigenaars der bijzondere akkers staan alle onder een algemeen verband; zij zijn nl. verplicht op denzelfden tijd hun koren te maaien en hunnen beesten en varkens in het gemaaide land te drijven.” (Zie o.a. Podagr. I, 219 e.v. en vergelijk kampgrond, en: hongerhokken). Behalve in Drente vindt men ook eschen in Westerwolde, Westfalen en meer streken van Duitschland; de naam is ook in het noorden van Gelderland bekend; in het Zutfensche zegt men enk, dat eigenlijk beteekent: veld, akker. Oostfr. (Stürenb.): esch, escher, esker = gemengde zand- en moerasbodem; onvruchtbare zandgrond voor den graanbouw bereid; (ten Doornk.): esk, esch, esker, escher, esken, eschen, îsk, îsker, îsken = vruchtbare en tot graanbouw zeer geschikte bodem op geestgronden. Hessen, Beieren, Westf. esch, Saterl. isklond. Neders. voorheen: esk = land, veld, effen veld; in Mecklenb. en bij Lubeck heesk = een braak liggend veld, (thans verouderd); esch, asch, oesch = velden in bouwland herschapen. Het woord zou van het OHD. ezisc, ezisg, ezisk, MHD. ezesch (samengetrokken esch) = Goth. atisk = graan, graanveld, komen. Zie ten Doornk. i.v. esch. 2. voor: es, esch; zie ald. Door snelle uitspraak van: de es, of op de es werd de n tusschengevoegd, ter vermijding van den hiatus, en zoo die n bij het woord getrokken.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
es , esken , esschenboomen; ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
es , esse , haak, waarin de ketting van den ploeg hecht. Zegsw. in esse holden, ook: in de lisse holden. (Gron. in de es hollen) = in stand, in wezen, in orde houden; ’t is in den es = ’t is in den haak. Wellicht van es, eene ijzeren haak, die den vorm eener kapitale S heeft, dus eigenlijk zooveel als: goed aangehaakt zoodat het werk geregeld kan voortgaan. De fig. beteekenis vloeide er licht uit voort.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
es , esch , (mannelijk) , hooge streek bouwland.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
es , esche , esch , (vrouwelijk, mannelijk) , boom. Acer campestre.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
es , esch , es , “Onder den naam van esch is zeker gedeelte der marktgronden bekend, dat ontgonnen en tot graanbouw bestemd is. De esch heet de gemeene esch, omdat zij noch door wegen, noch door gruppen, of op eenigerhande zichtbare wijze in gedeelten is gescheiden. Ieder gerechtigde bebouwt echter hetzelfde stuk grond, dat als zijn eigendom beschouwd wordt, doch het is van de naburige stukken of niet of alleen door bijna onmerkbare teekenen afgescheiden.” Mr. J. Pan Archief 1847 p. 261. Wat voor Drente geldt is ook op de Westerwoldsche essen of esschen van toepassing. Middel-Nederlandsch esch, esc. Middel-Hoogduitsch ezzisch, esch, Oud-Hoogduitsch ezisc, Gothisch atisk. Hoogduitsch Esch. De bouwgrond welke bij een dorp of landgemeente behoort, en die aan verschillende eigenaars in gemeenschappelijken eigendom toebehoort, in dier voege dat de deelen, bij de onderscheidene personen in gebruik, niet van elkander zijn afgesloten of geheind. – Nog heden is esch in tongvallen in gebruik voor openliggend bouwland. Teuthonisch Esch, velt, acker. (Verdam art. esch, waar de aanhalingen uit Overijselsch stukken zijn genomen). Stürenb.: esch, escher, esker = gemengde zand- en moerasbodem; onvruchtbare zandgrond voor den graanbouw bereid; ten Doornk.: esk, esch, esker, escher, eschen, esken, îsk, îsker, îsken = vruchtbare en tot graanbouw zeer geschikte bodem op geestgronden: Hessen, Beieren esch, Saterlandsch isklond. Het zou komen van het Oud-Hoogduitsche ezisc, ezisg, ezisk, Middel-Hoogduitsch ezesch, samengetrokken esch = Gothisch atisk = graan, graanveld. In Mecklenburgsch en bij Lubeck heesk (verouderd) = een braak liggend veld; esch, asch, oesch = velden, in bouwland herschapen; Nedersaksisch voorheen esk = land, veld, effen veld. – Van esch, es zou Assen zijn naam ontleend hebben.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
es , es , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , || In ultori Esce quinque pascuas ... In Were Esce alteram dimidiam pascuam (Egmonder landerijen onder Assendelft, a° 1182-1206), Oorkb. I n° 204. ‒ Indien hier bedoeld is het woord es, aan de gemeenschap (mient) toebehorende bouwgrond (vgl. GRIMM, D. Wdb. III, 1140; Mnl. Wdb. II, 732; MOLEMA 103; KOOLMAN 1, 406; Versl. en Meded. K. A., Lettk. dl. 9, 73), dan was dat gemeenschappelijk bezit dus reeds in de 12de e. opgeheven; ook was de es toen geen bouwland meer, maar weiland. ‒ Er is te Assendelft (bij de Vliet) nog steeds een stuk weiland, dat de Es heet en dat reeds in de oudste polderleggers zo genoemd wordt. || De Es, Polderl. Assend. II f° 97 v° (a° 1600). Heyndrick Allerses, genaemt es, Maatb. Assend. (a° 1635). ‒ Het stuk is enigermate s-vormig van gedaante en kan dus ook naar de vorm zijn genoemd.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
es , es* , 2, vgl. pee *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
es , esk* , eskenblad zal staan voor: espenblad.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
es , esch , mannelijk , Digt bij steden, dorpen of gehugten vindt men veelal een verzameling van bouwlanden, wel aan onderscheiden eigenaren toebehorende, doch door geene slooten of omheiningen van elkander afgezonderd. Dezen dragen hieromstreeks collective den naam van enk, in Twente en elders van esch of es, masc. gen., bij voorb.: in den enk, in den esch. Zoude Kiliaans enckel, enckle: juvenis arator, hier mede eenige gemeenschap hebben? [Een grote kamp, hoog bouwland waarin geene gravens of heggen zijn, is in Twente nen esch, al behoort hij éénen eigenaar toe en al wordt hij van éénen boer bebouwd.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
es , es , zelfstandig naamwoord, mannelijk , esn , es, hoog bouwland. In n es, op de es
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
es , eske , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , eskn , esseboom
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
es , ësj , mannelijk , ësje , ësjke , es, loofboom, Fraxinus. Ein raatelësj: een wijfjes-es.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
es , ėsse , kleine s-vormige gebakjes.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
es , es , de , essen , s‑vormige haak Die koouket is wat te kurt, daor mot een es bij in (And), Een dekker gebruukt essen bij het dekken (Wsv), Wij moet een neie es in de leide hebben (Sti), Der zit een essien an het ooriezer, die holdt de beide schulpen bij mekaar (Sle), Nou mèu’k nog een essie opzuken um dat schaoltie an de beskule te hangen (Hol), In esse holden in orde houden (wp, wb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
es , esch , esk, es, esse , eschen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe). Ook esk (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), es (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Noord-Drenthe), esse (Zuidwest-Drenthe, zuid) = es (boom) Achter an de wieke hebbe wij een paar mooie essen staon (Hgv), Het holt van de esk is slim taoi (Eex), Hij is zo recht as een esse (Dwij)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
es , nes , nesse, es , de , nessen , (Zuid-Drenthe). Ook nesse (Midden-Drenthe), es (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, maar ook als jongere vorm in Zuid-Drenthe, waar nes gebr. was). Niet gebruikelijk in gebieden, die geen es kennen, zoals bijv. de veengebieden. Daar wordt het woord echter wel gebruikt als men over de zandgebieden spreekt. Rekking van es in Noord-Drenthe en langs de Hondsrug = es, bij een dorp liggend oud bouwland Op de nes stiet de rogge in gasten (Hav), Op de nes was ok aaltied een mietenstee plaats voor korenmijten (Rol), Het is zuk mooi weer, wij loopt even naor de es in (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
es , esse , zie essenboom
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
es , eske , esken, es, esse, esse-, eske- , zelfstandig naamwoord , de; bep. boom: es
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
es , es , zelfstandig naamwoord , de 1. es, hooggelegen bouwland nabij een woonkern 2. in in de es voor elkaar, in orde
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
es , es , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , esse , - , boerengereedschap , (bep. boerengereedschap) es: gereedschap bestaande uit steel en s-vormig stuk metaal dat op de boerderij gebruikt werd om het gekookte veevoer in grote brokken te verdelen waarna men het geheel met de 'bryselkul' in nog kleinere stukken verdeelde.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
es , êsj , zelfstandig naamwoord mannelijk , êsje , êsjke , es , (bep.boom) êsj VB: Volges lûi dy 't wèite kênne, sjtoën merûile dêk oonder êsje. Zw: 'nne Êsje sjtiël: een steel van essenhout.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
es , es , (hooggelegen) bouwland.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal