elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Evert

Evert , eawrtjen , eawrtjen hef um te pakng, hij is lui
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
Evert , Evert , persoonsnaam , 1. Evert, inz. in de bet. lui persoon Moej hum is zeein. Mij dunkt, hie hef Evert op de rug (Eex), ...op de nakke (Nsch), ...luie Evert op de rugge (Bov), Daor het e Evert bai zain hij heeft geen zin in dat werk (wb:Kop van Drenthe) 2. de zon (Zuidwest-Drenthe, noord) Hij mut eerst Evert op de pokkel hebben (Uff), Evert braandt er goed op (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal