elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fel

fel , feil , Hy is der feil uppe, happig, fel.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
fel , fel , 1) voor zeer verlangend, zeer genegen, ergens sterk op gesteld zijn; 2) voor sterk, hard. , 1) Mijn zoon is fel om te kunnen vertrekken; ik heb onze Mie naar de markt laten gaan, ze was er fel op. Hein en Trien zullen trouwen, want zij zijn fel op elkaar. Die 2 Broers gelijken fel op elkander. Die mensch bestaat fel op zijne eer. Hij is fel op zijn fatsoen gesteld. Ook alleen voor zeer, hard. Bijv. Deze knecht werkt fel; Leen kan fel goed naaijen. Het is een fel goede man. Eertijds beteekende het ook arglistig, grimmig. 2) Het is felle wind; van nacht was ’t fel koud enz. De felle oord is een deel of uithoek van Woensel, tegen Eindhoven gelegen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
fel , fel , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , felle , hevig, zeer begeerig naar; de kolde v(i)eel üm fel op ’t lîf, de koorts begon hevig en plotseling; hé is fel op de deerns, hij is een meisjesgek.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
fel , fel , voor: scherp, bijtend, kras, sterk gekruid, ook: veel alcohol bevattend; felle peper, mōsterd, enz.; worst, augurken, kaas, enz. zijn fel, als zij sterkgekruid zijn. – Voor: hevig, sterk: ’n felle slag = een hevige donderslag; ook: een slag met kracht toegebracht; ’t vuur brandt fel; dat was ’n felle brand; hij het ’n felle koors; dat licht is mie te fel, de oogen doun mie d’r zeer van. – fel op iets wezen = er verzot op zijn (ook Oostfriesch); hij ’s fel op brood, enz.; dat wicht is fel (ook: hijt) op de jōnges = is vrijlustig. Ook = rad, snel, gauw; hij ken fel loopen, Oostfriesch fell, Oldenburgsch vell. – In Westerwolde: fel = gezond; oom en meu wadden nog al fel = oom en tante waren nog gezond. – Kil. fel = wreed, ruw, woest, hevig, scherp; bij Hooft = ruw, woest; bij Vondel = wreedaardig, bloeddorstig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
fel , fel , (bijvoeglijk naamwoord) , Zegsw. Iemand fel krijgen, iemand te pakken krijgen, hem vinden. || Wacht maar, ik zel je wel fel krijgen. ‒ Evenzo elders in N.-Holl. (Hs. Kool).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
fel , fäil , fel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
fel , fàel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , begerig. Nen fàeln hoond, een al te begerig mens; fàel op, begerig naar; oarns fàel op wean, iets erg graag lusten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
fel , fel , fèl , menens ’t Is bar fel mit die tweej. Het is goed menens met dat paar; gek D’r fèl op/mit zien Er gek op/mee zijn; fèl doên hartstochtelijk liefkozen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
fel , fël , fëlder, fëlste , fel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
fel , fel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. sterk, hevig Dat is aordig fel licht (Klv), Een felle kleur (Sle), Ik doe de zunbril op, die zun is ja wel zo fel (Eex), Het is fel op de ogen (Row), Het braandde èven fel (Eli), Een fel overtuugde socialist (Bei), Hij is der fel tegen (Eel) 2. vinnig, verbeten Een fel hondtie (Eev), Hie kan gooud proten, mar hie kan ok geweldig fel wezen (And), Wat kan die der fel met veur de dag kommen (Een), Hij is fel met de mond (Man), Hij is der fel op, dat hij bij zien naam anspreuken wordt en niet bij zien bijnaam (Bei), Die vrouw, dat is een felle (Klv), Wat een felle sprekker vinnig (Pdh) 3. tuk op (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Dat wicht is ter aordig fel op wil die jongen graag hebben (Sle), Hie was der aordig fel op um in de raod te kommen (Bor), Wij bint fel op verdienste (Hav), Hij is wat te fel op de penning zit wat al te zeer achter geld aan (Dwij), Hij is fel op voetballen (Uff)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fel , fel , ongeveer, praktisch, bijna. dè’s fel ènder, dat is praktisch hetzelfde.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
fel , fel , verzot
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
fel , fèlle , hevige , Zó'n fèlle kaauw héd'de al lang nie mér meejgemôkt, daor stôj ik ók nie óp te kiike. Zo'n hevige kou heb je al lang niet meer meegemaakt, daar ben ik ook niet verzot op.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
fel , fel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. fel 2. tuk op 3. op intense wijze
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fel , fêl , bijvoeglijk naamwoord , fêlder, 't fêlste , fel , VB: 'n fêl kaw, 'nne fêlle braand.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
fel , fael , bijvoeglijk naamwoord , intiem; fael blij, gretig, happig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal