elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flank

flank , lanke , (vrouwelijk) , zijde, de kô is dünne in de lanke.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
flank , flank , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. ‒ Zegsw. In de flank vallen, naar de zin zijn, in de smaak vallen. || De nieuwe dokter valt erg in de flank. Dat viel helemaal niet in de flank. ‒ Ook regelmatige plaatsing; van schalen en schotels op een gedekte tafel, die zó geplaatst zijn, dat het éne recht tegenover het andere staat en alles een harmonisch geheel vormt.|| Zie zo, nou staat alles in de flank. Zet die schaaltjes in de flank. Zo halfweg den eten staan de schalen meestal uit de flank. ’t Hindert niet waar je het neerzette, de flank is er toch uit. Er zit geen flank in. ‒ Zie flanken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
flank , flaanke , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , flaankn , flank
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
flank , flank , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze in de flank valle, voegen, in de smaak vallen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
flank , flank , flaanke, flanke, flaank , flanken , Ook flaanke (Zuidwest-Drenthe), flanke (Zuidwest-Drenthe, noord), flaank (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. flank Dat peerd is wat kreupel, het zit hum in de flank (Bor), Vroouger gaven ze de peerden een slag met de leide over de flank (Nor), Die vette ko veult good in de flaanken (Pes), Mit exerceren gaoj links oet de flank en rechts oet de flank (Bov), ...links uit de flank, rechts uit de flank (Bui) 2. zijkant De trein hef de auto in de flank grepen (Eex), Ik had de wind in de flank, toen ik op de fiets hen Emmen gung (Odo), Het leger weur in de rechter flank anvallen (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
flank , flaank , flaanke , zelfstandig naamwoord , de; 1. flank (van dieren) 2. zijkant, vooral: van een auto
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flank , flaank , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , flaanke , - , flank , VB: 't Bies ês gesjmert ién de flaanke.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal