elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fluisteren

fluisteren , fnuisteren , (intransitief werkwoord) , stil praten, fluisteren, niet zelden geeft dat herhaaldelijk gefnuister in gezelschap van jonge lieden, ten platten lande, aanleiding tot kwaad vermoeden. Die twee meiden zitten maar gedurig tegen mekaar te fnuisteren: misschien den een of ander bij den rug op te halen. Dat gefnuister weet wat.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
fluisteren , flü̂steren , (zwak werkwoord) , [weinig gebruikelijk] fluisteren.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
fluisteren , flü̂steren , (zwak werkwoord) , fluisteren; van vrijages gezegd: in den dü̂stern / is ’t gôd flü̂stern
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
fluisteren , flustêrn , fluisteren. Zie: lustêrn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
fluisteren , flaistêrn , fluistêrn , flikkeren van eene kaars; flikkeren van een vuur of van een licht wanneer die voor eenige oogenblikken hoog opvlammen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
fluisteren , fnisteren , (zwak werkwoord, intransitief) , Fluisteren, stil praten. || Wat zitten jollie daar weer te fnisteren. Ik kan dat fnisteren niet verstaan. ‒ In de Beemster gebruikt men in dezelfde zin fnuisteren (BOUMAN 29). In het Hgd. vindt men ook naast elkaar flüstern en flistern. ‒ Vgl. voor fn wisselende met fl, Tijdschrift 4, 220 vlgg. ‒ Zie gefnister.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
fluisteren , flusteren , zwak werkwoord , fluisteren
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
fluisteren , flustrn , werkwoord, zwak , fluisteren
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
fluisteren , flustern , fluisteren
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
fluisteren , fnuistere , flustere , werkwoord , Verouderde dialectische variant van fluisteren.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fluisteren , flustern , flostern, flöstern, fluustern , Ook flostern (Zuidoost-Drents zandgebied), flöstern (Zuidoost-Drents veengebied), fluustern (Oost-Drenthe) = fluisteren Hai fluustert mie wat in het oor (Eco), Zeg het mor haardop, ij heuft niet flustern! (And) *Flustern in het oor is toch niks van waor (Klv); In het duuster is het mooi te fluustern (Een), ...is het goud te fluustern, maor nait te vlooien vangen (Vtm); Uster de fluster / De kat is mien zuster / De hond is mien breur / Nooit weer vertellen, heur (Hol), ...De hond is mien breur / Hol op met dat gezeur vaak als spelletje ingefluisterd (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fluisteren , fluusteren , fluisteren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
fluisteren , fluustern , fluisteren.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
fluisteren , fluusteren , flusteren , werkwoord , fluisteren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fluisteren , fluústere , werkwoord , fluústerde, gefluústerd, fluústerenterre , fluisteren
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
fluisteren , fluusteren , (werkwoord) , fluusteren, efluusterd , fluisteren.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
fluisteren , fluustere , fluustertj, fluusterdje, gefluusterdj , fluisteren
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
fluisteren , fluustere , werkwoord , fluustertj, fluusterdje, gefluusterdj , fluisteren
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
fluisteren , flöstere , werkwoord , fluisteren; R.J. 'ik weet weh nuuws flùstert z' in m'n oor'; WBD III.3.1:291 'fluisteren' = roezemoezen; WBD III.3.1:298 'fluisteren' =lispelen; Goem. - FLUISTEREN - flöstere, wkw (...rde, ge...rt); geflösterd; van ‘flöstere’; gefluisterd; Cees Robben – ’k Heurde ’n geflösterd lied (19600715)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
fluisteren , fluustere , fluisteren
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal