elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: foeken

foeken , foeken , foekerig , zegt men van kleedingstukken, die niet zuiver van snid en niet naar den eisch in elkaâr gezet zijn, die klaarblijkelijk onder de handen van een knoeier zijn heen gekomen, daar ze niet goed en gemaklijk zitten en tevens niet wel sluiten, maar hier en daar trekken, gapen, een zak maken, enz. Foeken, zegt Halbertsma, in den Overijsselschen Almanak voor Oudh. en Lett. 1854, blz. 234: ‘beteekent oorspronkelijk vouwen, in de vouw slaan, schikken, plooijen, passen of betamen. Neder-Saxisch, Twentsch, Overijselsch foeke, een zak, b.v. in een behang, valsche plooi in een kleed; Osnabr. fuken, passen, betamen, Kil. foeken, accommodare, decere. Ital. foggia, forma, modus, ritus.’
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
foeken , foeken , lappen van oude kleeren, stoppen van kousen, enz.; in ’t olle goud omfoeken = de oude plunje zoo goed mogelijk herstellen; wordt vooral van huismoeders gehoord. Kil. fuicken = schudden, kloppen, schokken, stompen; Oostfriesch fikken = futuere, dus: steken, stooten; Oud-Noorsch fika = streven, trachten om iets te bekomen, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
foeken , foekng , werkwoord, zwak , speelruimte geven, van doek of derg. In mekaandr foekng, in eenzijgen, in elkaar slaan, van doek en derg.
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
foeken , foeken , de foekepot bespelen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
foeken , foeken , foeken, efoekt , 1. kreukelen; 2. de foekepot bespelen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
foeken , foekelen , werkwoord , snel, maar niet degelijk maken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
foeken , foeke , werkwoord , fktj/foektj, foekdje, gefkdj/gefoekdj , te ruim zitten/bolstaan van kleren ook toete
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal