elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: foulard

foulard , foelaa , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , foelaas , foelaakn , gebreide donkere omslagdoek
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
foulard , foelaar , velaar , mannelijk , foelaare/velaare , (Frans) foulard, halsdoek.; velaar foulard
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
foulard , vlaartje , zelfstandig naamwoord , dim. lefdoekje, pochet, foulard; Henk van Rijen - kèkt es wèt ie freet is meej zen vlaartje - trots met zijn pochetje; – Van fr. ‘foulard’, hals- of zakdoek.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal