elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gaffeltand

gaffeltand , [iem. wiens voortanden ver uitsteken; soort mos] , gaffel-tand , die veel lacht en hare groote tanden blinken laat.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
gaffeltand , [oorwurm] , graffeltand , (mannelijk) , oorworm.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gaffeltand , gafltaand , zelfstandig naamwoord, mannelijk , oorworm
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gaffeltand , gaffeltaand , de , 1. oorwurm, Forficula auricularia Gaffeltaanden die zaten meest in het haverstro (Hol), zie ook gaffeltang 2. scheldwoord voor iemand met scheef staande of vooruitspringende boventanden (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) 3. driedelig tandzaad, Bidens tripartitus (wb, Zuidoost-Drents zandgebied, hk:Oost-Drenthe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal