elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: galmen

galmen , galmm , werkwoord, zwak , 1 galmen, 2 golven van gras of graan
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
galmen , galmen , gaalmen , Ook gaalmen (Noord-Drenthe) = 1. galmen Die klokken die galmen zo mooi (Eco), Het galmt je deur de kop hen, ...deur de bienen gezegd bij felle pijn (Sle) 2. hoog en/of hard zingen Dat mèens galmt deur de kerk (Bal), Hij zingt hard, het galmt over de streek (Bco), Dat wicht zingt zo hoge, ze galmt overal boven oet (Bei), As e ienmal an het zingen is, galmt e de hiele dag deur (Coe), De kinder galmen het oet (Een) 3. schreeuwen, huilen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Muj hum ies heuren galmen (Nije)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
galmen , galmen , werkwoord , 1. galmen 2. hard, praten, schreeuwen 3. hoog en luid zingen 4. resonerend klinken 5. walmen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal