elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gateinde

gateinde , gateane , zelfstandig naamwoord, mannelijk , achtereinde
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gateinde , gatèende , het , ondereinde van een garf Niet met de kop toougooien, mor met het gatend (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gateinde , gattenaende , zelfstandig naamwoord , et; onderste eind
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gateinde , gatend , zelfstandig naamwoord , gatendes , gatentjie , 1. worteleind van vlas, onderkant van stro, e.d. 2. worteleind van een boom
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal