elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gebeuren

gebeuren , gebeuren , beuren , voor te beurt vallen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
gebeuren , gebü̂ren , (zwak werkwoord) , gebeuren.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
gebeuren , gebören , (zwak werkwoord) , gebeuren.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gebeuren , gebeuren , voor: overkomen, ondervinden; ’t zel mie nijt weer gebeuren = ik zal later beter oppassen, dat zal mij niet weer overkomen. Als spreekwoord luidt het volledig: ’t Zel mie nijt weer gebeuren, zee de jong, dat mien voader starft en ik t’r nijt bie bin; eigenlijk zooveel als: zulk eene verzekering beteekent niet veel, gij zult u wel vaker bedriegen.; in: ’t ken nijt gebeuren! = ’t is onmogelijk dat zoo iets door menschenhanden verricht kan worden, en zooveel als: (wat men daarvan vertelt) kan niet waar zijn.; in: doar mout wat an gebeuren = dat voorwerp moet hersteld worden of eene kleine verandering ondergaan, het moet naar den maker gebracht worden.; voltooid deelwoord: gebeurd in: den is ’t gebeurd = dan zijn de gevolgen onvermijdelijk, dan is er niets meer aan te doen, dan is ’t mis, ook: dan komt het berouw te laat; ’t is gau gebeurd = wij hebben ’t spoedig gedaan; ’t is gebeurd mit Koatje = er is niets meer aan te doen; ’t is gebeurd mit Harm Bakker zien sproa = het werk is gedaan, volbracht.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gebeuren , beuren , (Ommelanden), in: ’t mag mie nijt beuren = dat kan ik niet bekomen, zulke uitgaven voegen mij niet, ook: de gelegenheid ontbreekt mij, en: ik heb het voorrecht niet dat mij zoo iets ten deel valt; ’t mag hōm beuren! = hij heeft gelijk dat hij het er van neemt; ’k wōl wel meer leerd hebben, moar ’t mōg mie nijt beuren; ’t mag mennîgijn nijt beuren dat hij zien tachentîgste verjoardag viert; ’t mōg mie nijt beuren om te voaren = ik kon met niemand rijden; as mie ’t nog beuren mag = als gij rekent dat er nog zooveel voor mij overschiet. Bild. beuren, in den zin van verkrijgen, bekomen, genieten; Hooft Ende hielden deze twee elkanderen daar zulx bezatigh, d’ geene van beide beuren moght zich bij de groote vloot zijner parthije te voegen. Middel-Nederlandsch boren, bueren, buren, Middel-Nederduitsch boren, Hoogduitsch gebühren = ten deel vallen. (Verdam.) Nedersaksisch, Holsteinsch gebören, ’t Hoogduitsche gebühren. Zal eigenlijk staan voor: gebeuren, met den 3 den naamval, en zooveel als: ’t gebeurt mij niet, ’t komt mij niet over, of: ’t komt niet over mij. Zie ook: Gr. Wbk. II, kol. 402.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gebeuren , beuren , gebeuren , (zwak werkwoord, intransitief) , Gebeuren. || Dat zel niet beuren. As ’et weȇr beurt, stuur ik je weg. Ik wachtte, maar er beurde niks. Wat is hier ’beurd? (of ’ebeurd)? ’t Is ’ebeurd (’t is gedaan, ’t is uit). ’t Vriezen is ’ebeurd. – Deze vorm is in geheel N.-Holl. de gewone.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gebeuren , gebeurd , in: ʼt is gebeurd! = ʼt is te laat! het ongeluk is geschied; Pas op, as ʼt valt is ’t gebeurd!
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
gebeuren , gebüüren , zwak werkwoord , gebeuren. Zal et gebüüren?: wordt gezegd tegen bezoeker, die aanstalten maakt tot vertrek.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
gebeuren , gebuurn , werkwoord, zwak , gebeuren. t Mut nen keer gebuurn, ’t wordt nu zachtjes aan tijd
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gebeuren , beure , gebeuren; ’t mot beure.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
gebeuren , beure , werkwoord , Gebeuren. | D’r beure deer ’n zoôt ongelukke.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gebeuren , gebeure , gebeurde, is gebeurt , gebeuren.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gebeuren , gebeuren , het , (Veenkoloniën) = gebeuren, gebeurtenis Het was een maal gebeuren in de buurt (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gebeuren , gebeuren , zwak werkwoord, onovergankelijk , gebeuren Er moet nog heil wat an het hoes gebeuren, veur het klaor is (Row), Zowat zal mij niet gebeuren overkomen (Coe), Dat gebeurt je altied op het miest ongelegen moment overkomt je (Pdh), Het kan nich anders, het mot gebeuren (Bov), Daor stiet nog veule te gebeuren (Hgv), Der mut hiel wat gebeuren, veur hij uut zien doen komp (Ruw), Het is gebeurd, het is een zeune worden de bevalling is voorbij, ...het wark is klaor (Klv), Het is mit olde Klaos Jaans ook gebeurd hij is overleden (Ruw), Het wark is zo goed as gebeurd (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gebeuren , gebeuren , gebeuren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gebeuren , gebéúre , gebeuren , Dieje mèns is bôs, mér wa z'n vrouw zi zal gebéúre. Die man is baas, maar wat zijn vrouw zegt zal gebeuren. Die man is de baas, maar zijn vrouw deelt de lakens uit.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
gebeuren , gebeuren , werkwoord , 1. gebeuren 2. gedaan worden, bijv. D’r gebeurt hiel wat er wordt veel werk verzet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gebeuren , gebëure , werkwoord , gebëurde, gebëurd , gebeuren , VB: Wat gebëurd ês, ês gebëurd.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gebeuren , gebuuere , gebuuertj, gebuuerdje, gebuuerdj , gebeuren , Dao is ein óngelök gebuuerdj, de bekker haet zien bóks gesjuuerdj: gezegde.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gebeuren , gebäöre , werkwoord , gebäôrtj/gebäörtj, gebäördje, gebäôrdj/gebäördj , gebeuren
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
gebeuren , gebeure , gebeure, gebuuëre , werkwoord , eerste en tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; derde vorm Weerts (stadweerts); derde vorm gebeuren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
gebeuren , gebeure , gebuuëre , zelfstandig naamwoord, onzijdig , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); gebeuren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
gebeuren , gebeure , zwak werkwoord , gebeuren; B gebeure - geburde - gebeurd; - ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: et gebeurt
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
gebeuren , geburde , persoonsvorm , gebeurde; B verleden tijd van 'gebeure', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal