elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gebint

gebint , gebinte , (onzijdig) , de dakbalken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gebint , gebeentn , zelfstandig naamwoord , gebinten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gebint , gebont , o , kozijn ’t Dùrgebont deurkozijn.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
gebint , gebónjt , onzijdig , gebónjer , gebunjtje , gebint.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gebint , gebónt , geboonde , balkenstel in zijn geheel; houten geraamte van verticale en horizontale balken dat wordt opgevuld met metselwerk of gepleisterd vlechtwerk.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
gebint , gebint , gebient, gebiente , gebinten , (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook gebient, gebiente (Zuidwest-Drenthe) = gebint In olde boerderijen vindt men iezerstarke gebinten, soms van meer as 200 jaor old (Scho), Daor zit een stevig gebient in de kapschure balkwerk (Hgv), Doew de beide stielen stönden en de balke der tussen, waren de gebinten klaor (Ruw), In een grote boerderij steeit meer as eein gebint (Eex), Een beste blok van maid, die het bainen as gebinten van een schure (Vtm), De oolde gebinten kraakten het oet (Nsch), Hie was niet al te stark. Hie had zogezegd gien hechte gebinten, mor het was een ingoeie kèrel (ov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gebint , gebont , 1) deurkozijn; 2) houten constructie van een boerderij. ook gebint.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
gebint , gebint , gebint
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gebint , gebónt , gebint, schuurdeel , Héij hi goed geboerd ónder 't vurste gebónt. Hij heeft goed geboerd onder het voorste gebint. Hij heeft veel kinderen.
We moesse gôn dorse én tuun hébbe we mér 'n hil gebónt inins gevat. We moesten gaan dorsen en toen hebben we maar een heel schuurdeel ineens genomen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
gebint , gebient , gebiente, bient , zelfstandig naamwoord , et; gebint(e), hout van het gebint
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gebint , gebint , zelfstandig naamwoord , gebinte , gebintjie , deel van een landbouwschuur tussen de staanders, dakstoel Vandaeg mottet twêêde gebint leeg Vandaag moet het tweede schuurdeel leeg
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
gebint , geboont , zelfstandig naamwoord onzijdig , geboonter , - , gebint , VB: E geboont ês 't hoütewérk oe 't däok op rös.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gebint , gebônt , houten constructie (dak)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
gebint , gebint , gebont , zelfstandig naamwoord , bergruimte in de schuur (West-Brabant); gebont; bergruimte in de schuur (Tilburg en Midden-Brabant); gebont; gebint, deurkozijn (Helmond en Peelland; Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
gebint , gebóndj , (onzijdig) , gebónjer , gebundje , 1. gebint, dakconstructie in de schuur; 2. schuur, gebruikt voor de opslag van ongedorst graan
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gebint , gebónjtj , zelfstandig naamwoord , gebönj , gebönjtje , 1. deel van een schuur (verhoging daarin) waar het gemaaide koren werd opgeslagen 2. bergvak tussen gebinten 3. gebint, balkwerk
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
gebint , gebôntj , geboont , zelfstandig naamwoord, onzijdig , gebôntje/geboonte , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); gebint
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
gebint , gebont , gebonte , zelfstandig naamwoord , WBD tasruimte in de schuur (v.d. dorsvloer gescheiden door 't tasmuurtje) (ook in Hasselt); wordt eveneens 'tasrömte' genoemd; WBD gebinte (balkenstelsel bestaande uit 2 stijlen en 1 ankerbalk); WBD gebónte (meervoud) - tasruimte in de schuur (idem als enkelvoud); vM durgebónt - de deurstijlen; hij stón tussen et durgebónt; naa'k stao te droomen in 't deurgebont (Piet Heerkens; uit: De Mus, ‘Merel’, 1939); Cees Robben - in et deurgebónt; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal – GEBONT o.- gebinte, ruimte tussen de staanders waarop een huis gebouwd is: 't vurste gebont = het woonhuis, soms alleen de bedstee: goed boeren in 't vurste gebont - actief en vruchtbaar zijn in de bedstee, veel kinderen hebben; in 't aachterste gebont - achter in het huis of de schuur (waar het soms ook niet pluis was). A.P. de Bont – gebónt zelfstandig naamwoord o. - kozijn (v. deur of venster); A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - gebont - gebint (Meierij). Ablautend bij 'binden'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal