elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gedag

gedag , gedag , goeden dag! Gedag zeg’ng, bij aankomst of vertrek groeten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gedag , gedag , in de zegswijze gedag zègge. 1. Goededag zeggen, groeten. | Zou je niet eres gedag zègge!. 2. Afscheid nemen. | Murgen komme ze te gedag zègge. – Zèg maar gedag mit je handje, vergeet het maar, je bent het kwijt, het gaat je neus voorbij.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gedag , gedag , (tussenwerpsel) , (verouderd), goeiedag.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal