elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geld

geld , geld , in: bij gelde huren = voor eene geldsom iets huren, in tegenoverstelling van: op de garve hebben. Zie: garf.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
geld , kwoad geld , Bij v. Dale: goed geld naar kwaad geld smijten = zijn geld besteden om te trachten betaling te erlangen van eene zoogoed als oninbare schuld. Wij strekken het verder uit: goud geld noa kwoad geld smieten beteekent hier ook: nog meer aan iets te koste leggen, zonder uitzicht op bestendige verbetering of vergoeding; – doar is kwoad geld bie = dat is te duur, gij overvraagt; is t’r ook kwoad geld bie? als vraag aan den verkooper, bv. van eene koe, en zooveel als: wilt gij het beest niet tegen lageren prijs verkoopen? (v. Dale: daar is kwaad geld bij, in toepassing op bezittingen of zaken die met schulden bezwaard zijn.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
geld , geld , in de zegswijs: dei geld het ken spek (ook: stoet) koopen, zooveel als: die geld heeft behoeft nooit gebrek te lijden; ook: die rijk is kan zich weelde veroorlooven; ʼt geld op ʼt planktje hebben, wordt van vrijers en vrijsters gezegd die terstond over hun kapitaal kunnen beschikken; geld is de ziel van de negootsie, bij v. Dale: geld is de ziel van alles; doe plaagst mie meer as mien geld, zegt men schertsend en vooral tegen kinderen, zooveel als: gij plaagt mij onophoudelijk door iets van mij te vragen, van overvloed van geld heb ik nooit last; ook Zuid-Limburg; zij hebben ʼt geld nijt moar ʼt geld het heur, zegt men van rijke gierigaards; tot zien geld komen = er schadeloos af komen, het geld krijgen wat ons toekomt. al weer geld dat mien vrau nijt wijt! aardigheidshalve wanneer iemand geld beurt waarop hij voor dat oogenblik en op die plaats niet gerekend had; Oostfriesch: al wär geld, wat mîn frô nêt wêt, säʼ Jan, do harrʼ hê ʼn blauen extra ferdênd; wie hebben ʼt geld zulf = over de kosten malen wij niet, wij hebben geld genoeg; ʼt geld en ʼt geweld hebben = rijk zijn en daardoor kunnen heerschen; geef mie ʼt geld moar, zegt de dienstbode als hij (of zij) met wegzending bedreigd wordt en liefst wil vertrekken; ie drinken nijt noa dat ie geld hebben, zegt de schenker (of schenkster), om tot drinken aan te sporen; as ʼt schip mit geld overkomt, antwoordt men schertsend wanneer gezegd wordt: dit of dat moet gij u aanschaffen; dat is gijn geld = dat is uiterst goedkoop, en ook: die uitgaaf behoeft niemand af te schrikken, om het te koopen; ʼt is net of ze ʼt geld doar oet de sloot groaven, zegt men van menschen die veel geld uitgeven, als men niet weet waar zij het van daan halen. Vgl. ijn 2, alsook: puil.
’t geld geven, zie: ofloonen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
geld , geld , Wat de uitdr. zîn geld tellen soms beteekent, zie men op: meiwö̀rm.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
geld , geld , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , vgl. eestgeld, lastengeld, overwerkersgeld, weelgeld en geldjesdag. – Zegsw. Geld of de kinderen wakker, schertsend dreigement als men van iemand geld ontvangen moet. – Zie nog een zegsw. op donker.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
geld , geld* , zie ook ijn * 2 en vgl. tied * (bldz. 569), alsmede ofloonen .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
geld , geld , Wat de uitdr. zîn geld tellen soms beteekent, zie men op: meiwö̀rm.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
geld , geld , onzijdig , geld. Geld vån eimaond hebben: geld van iemand op hypotheek hebben.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
geld , geald , zelfstandig naamwoord, onzijdig , gealdjen , geld. Hee’s zoo gedoan op t geald as de duuwl op ne zeele, geld gaat bij hem boven alles; woer t geald is zee’j woondrn, woer t neet is hue’j t doondrn, rijkdom geeft macht, armoede ruzie
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
geld , geld , zelfstandig naamwoord ’t , Geld, in de zegswijze voor ’t zelfde geld, net zo goed – Geld zoekt geld, 1. iemand met geld trouwt graag met iemand die het eveneens heeft. 2. wie geld heeft, kan vaak gemakkelijk zijn kapitaal vergroten. – Weer geld is, wul geld weze, zie de vorige zegswijze – Vast geld, vaste arremoed, met een vast inkomen kun je moeilijk rijk worden. – Da’s geld in ’n groene mantel, het bezitten van of het investeren in grasland is of blijft rendabel. Gekoup geld hewwe, geleend hebben tegen een lage rente. – Ik ben m’n geld niet louf, ik geef mijn geld niet zó maar uit. – ’t Is zónde geld, het is zonde van het geld, het is weggegooid geld. – Vals geld op zak hewwe, valse streken hebben of uithalen. – Ik ken ’t geld niet in m’n diesek darse, ik kom heus niet zo gemakkelijk aan geld. – Geld in de lucht, stront op de plank, schertsend gezegd van de vaak dure duivensport. – Geld of gien geld, alle mense hewwe geloik nuw jaar, volkswijsheid die vaak gebezigd wordt om aan te geven, dat men niet te fanatiek naar materieel gewin moet streven. Meervoud gelden, in de zegswijze gaat ’t op ’n gelden, den gaat ’t op ’n skelden, als het om geld gaat, dan leidt dat gemakkelijk tot gekijf, tot ruzie (o.a. bij het verdelen van een erfenis).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
geld , geljt , onzijdig , geld. “Dat is geljt, woo de vrou niks van wit” wordt gezegd, als men een buitenkansje heeft. Dat is geljt in den drėk gesjmeete; aan ’n aapevot verzeen: dat is weggegooid geld. Dat is sjpietich geljt: dat is zonde van het geld. Ko
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
geld , gèlt , geld in het algemeen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
geld , geld , het , gelden , Met rekking in Noord-Drenthe = geld Hoe hij an het geld komt, is mij een vraoge (Klv), Ze gooit met geld of as het nunen bint (Eli), Hij hef ien de oorlog grof geld verdiend (Ruw), Die kooplu hebt dik geld beuden veur de zwarte (Man), Hij hef nogal wat zwart geld (Row), Het geld greuit mij niet op de rogge (Ruw), Zij hebt geld bij de bulten (Ruw), Die stinkt van het geld (Dwi), Dennend smet met geld (Gas), Het geld zit hum lös ien de buse hij geeft gemakkelijk geld uit (Ruw), Ien geld uut de buus klöppen door mooie praatjes afhandig maken (Erm), Er zal wel wat kwaod geld bai wezen oneerlijk geld, de vraagprijs is nl. wel wat te hoog (Row), Kwaod geld gaot vaok under de taofel deur (Ros), Dat is aold geld oud nieuws (Sle), Den hef der geld over heeft geld ervoor uitgeleend (Pdh), Wat zat daor veul geld bij die vrouw wat had ze veel geld (Nor), Een koe op geld zetten zeggen wat je ervoor wilt hebben (Sle), Hij hef heilwat geld veur dei kou maakt gebeurd (Bco), Veur gien geld van de wereld doe ik dat (Klv), Geld over de balk gooien (Gro), Zien vingers staot hielemaole naor het geld tellen (Hgv), Hie is met het geld trouwd (Eex), Hij zit op het geld is overdreven zuinig (Hijk), Hij hef gien geld, mor het geld hef hum (Hgv), Hij verdeint geld as waoter (Rod), Zien hond blaft nog van geld, geld, geld het is bij hem één en al geldzucht (Hgv) *Tied is geld (Row); Roest blinkt niet en geld stinkt niet (Hav); Geld stinkt (Dwi); Geld speult gien rol (Wei); Alles drèeit um geld (Zwe); Geld dat stom is, mak recht wat krom is geld maakt veel goed (Dwi); Geld wil bij geld mensen met geld trouwen in principe iemand die ook geld heeft (Sti) of Geld zöcht geld (Gas) of Waor geld is, wil geld wezen (Anl); Geld baort zörgen (Eex); Geld: elk is der gek op, mor der is gien hond die het vreten wil (Row); Geld allend maakt niet gelukkig (Hijk); Geld is niet belangriek, mor het is der zo makkelk bij (Eex); Geld regeert de wereld (Bov); Geld maokt altied niet goud (Ros); Geld mot rollen (Anl); Riek an laand, aarm an geld (Eex); Veur geld en goeie woorden kuj hiel wat klaor kriegen (Hgv); Gien geld, gien zorgen (Zwa); Gien geld, gien gooud zonder geld koopt men niets (Eex); Jong gien schuld, old gien geld (Klv); Aj geld hebt, doej wondern, aj het niet hebt is het dondern (Hoh); Wie geld hef, kan huzen bouwen, die het niet hef, kan stienen sjouwen (Koe); Geld is de sleutel die op alle sloten past (Hgv); Met het geld giet de liefde de deur oet (Sle); Geld is de ziel van de negozie alles draait om geld (Mep); Veur geld kuj de duvel laoten dansen met geld krijg je alles voor elkaar (Nsch); Eerst geld en dan halen (Eri); As het geld sprek, mot het geloof zwiegen (Gas); Elke waor is naor zien geld (Gro); Geld sprek, zee de rieke boer en doe houwde hij met de geldbuul op taofel (Hav); Geld maakt recht wat krom is en loos, wat dom is (Hijk); Die zit op het geld as de duvel op de ziel (Eri); De Drenten zit het geld zo vaste in de buse as taanden in de mond (Dwij)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geld , geld , geld
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
geld , géld , geld , Mi géld kun'de veul kóópe, mér gezóndhéij is nie te kóóp én dé's veul vurnaomer. Met geld kun je veel kopen, maar gezondheid is niet te koop en dat is veel voornamer.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
geld , gel , zelfstandig naamwoord , ongeldig, in gien gel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
geld , géld , zelfstandig naamwoord , geld , géld geld (geld als water hebben); géld; géld wie drek hebbe; géld wie drek geld (enigszins spottend) veel geld hebbend: géld wie drek en lûis wie dobbelsjtejn.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
geld , geldj , (onzijdig) , geljer , geld , Bäöke van ’t geldj: veel geld hebben. D’n eine haet ’t geldj, d’n angere de bujel: de een is rijk, de ander arm. Geldj oet kriege: geld krijgen terwijl je verwacht dat je geld moet geven. Geldj wie water. Mèt geldj oppe tes geit m’n neet oppe fles: met geld komt men overal. Vuuer ’t zelfdje geldj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
geld , geldj , geld; hae hiët geldj wie drek – hij heeft geld in overvloed ook moos
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
geld , gêldj , zelfstandig naamwoord, onzijdig , geld
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
geld , gèld , zelfstandig naamwoord , "geld; Pierre van Beek – Wanneer iemand ""z'n geld aon z'n hart gewaasen is"" zijn we niet ver meer van de vrek uit de buurt en men kan er vast van op aan, dat zo iemand wel ""'n halfke kan durbèten (doorbijten) al was 't dè-t-ie van awerdom op z'n taandvlees liep"". Men heeft nu eenmaal van die ""vuil meense"" - zelfs in Tilburg. Het woord vuil heeft hier niet de betekenis van smerig maar van gierig. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 18 maart 1950); Pierre van Beek – Nu we dan ongezocht toch bij het geld verzeild geraakt zijn, mogen we er wellicht ook even aan herinneren, dat ""de pastoor ôk gin twee missen vur één geld"" doet. Men kan dit ten antwoord krijgen als men bijv. iemand iets voor een tweede keer wil laten vertellen. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 18 maart 1950); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - gèld is et slèèk der aarde, mar ge dabt er zèlf tòch gèère in ('70) (vB); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - naa gèld vur den houthakker (JM'50) - boter bij de vis; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - zèède hoer, schèlm òf dief, hèdde gèld, ik hèb oe lief (JM'50) - geld maakt alles goed; Frans Verbunt – nòr et gèld stinken as en vèèrkeskónt nòr den brómóllie; Frans Verbunt – tèèd is gèl, zi den oober, èn hij tèlde den daotum bij de reekening; Cees Robben - 'wörrom komde wir half-zat aon? omdèkker gimmer ha' (=duiten=geld)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal