elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: genoegen

genoegen , genougen , genoegen, bekomst; ʼk heb mien genougen, nl. van den maaltijd = ik dank voor meer, ik ben verzadigd; ie mouten joen genougen eten; eene aansporing om nog niet uit te scheiden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
genoegen , genöugen , onzijdig , genoegen. Zien genöugen hebben: verzadigd zijn.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
genoegen , genuengn , zelfstandig naamwoord, onzijdig , genoegen. t Genuengn is um nog neet ebùrsn, hij heeft er nog wel trek in
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
genoegen , genoegen , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze ’n goed (slecht) genoegen hewwe, (niet) content zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
genoegen , geneung , 1. vertrouwen; 2. genoegen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
genoegen , genugen , geneugen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe). Ook geneugen (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. genieten (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie zit daor te genugen (Sle) 2. plezieren, voldoening geven Dat kuj gerust doen, dat zal je genugen (Odo), Dat neie pepier geneugt mij nog neet zo good (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
genoegen , genugen , genoougen, genoegen, geneugen , genugens , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook genoougen (Midden-Drenthe) genoegen (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), geneugen (Kop van Drenthe) = 1. genoegen Was het naor genugen? heeft het voldaan? (Hgv), Het döt mij veul genoougen, dat wij der ieder maol almaol aaid weer bint (Eex), Tot zien genugen is alles opgelost, tot de leste cent toe (Eri), Ik wil oe mit genugen èven helpen (Ruw), Ik heb mien genugen daor an beleefd plezier (Oos), Ik heb mien genugen, ik bin zat heb genoeg gegeten (Emm), ook gezegd wanneer iemand voldoende van iets heeft gehaald of gekocht (Pdh), Hij haar zien genougen wel was aangeschoten (Row), Daor mooj maor genoegen met nimmen (Rol) 2. zeker gezelschapsspel (wb:Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
genoegen , genugen , genoegen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
genoegen , genoegen , genugen , zelfstandig naamwoord , et 1. genoegen 2. genoeg eten, drinken gehad
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
genoegen , genoege , in de uitdrukking: “meej genoege zèèn”, “met voldoende personen zijn”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal