elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: getal

getal , getal , Zegswijs: ’t getal mout ’r heer, zooveel als: de vrouw krijgt het getal kinderen dat haar door het lot is toebedacht, ’t zij vroeger of later, bij éénen of tweeën.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
getal , getal , zelfstandig naamwoord, onzijdig , aantal
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
getal , getal , getal
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
getal , getaal , zelfstandig naamwoord onzijdig , getalle , - , getal , VB: Vraog 'ns e getaal oonder de tien te neume en aach van de tien lûi zegke: ziëve.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
getal , getal , zelfstandig naamwoord , getal; Kees en Bart – Tilburgsche Post ca. 1935 – 'in grooten getaole'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal