elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gewaad

gewaad , gewaod , (onzijdig) , gewaad.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gewaad , gewoad , zelfstandig naamwoord, onzijdig , bekleedsel voor mensen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gewaad , gewaad , gewaod , gewaden , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook gewaod (Midden-Drenthe) = gewaad Wat hef die een mooi gewaad an als iem. een mooie jurk aan heeft (Man), Wat hef dat kiend ok een gewaad an, hoe duurt ze het antrekken ironisch bedoeld (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gewaad , gewood , gewaad.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
gewaad , gewood , gewaad
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
gewaad , gewaod , zelfstandig naamwoord , gewaad; Cees Robben - gewaod; WBD III.3.3:73 'gewaden' = liturgische gewaden
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal