elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gewicht

gewicht , gewichte , (onzijdig) , gewicht.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gewicht , gewichten , De stelen van de geveerde bladeren van den accacia. De kinderen maken er bezempjes van.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
gewicht , wicht , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Gewicht. Zie de wdbb. – Op een binnenvaartuig. Het aan het ondereinde van de mast bevestigde gewicht dat deze in evenwicht houdt. Zo ook elders; vgl. spoor. – Bij vissers. Zeker gewicht, thans vertegenwoordigende de zwaarte van 100 pond, doch vroeger 80 pond. || Een wigje bot is 80 pond, Advers. Oostwoud, f° 283.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gewicht , gewichten , De stelen van de geveerde bladeren van den acacia. De kinderen maken er bezempjes van.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
gewicht , gewechte , zelfstandig naamwoord, onzijdig , gewechn , gewechjen , 1 gewichtmaat, 2 zwaarte. Skroa nàw gewechte, niet de volle maat
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gewicht , wicht , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze goed an de wicht weze, een goed gewicht hebben, behoorlijk zwaar zijn. | Ze is kloinig, maar goed an de wicht.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gewicht , gewich , onzijdig , gewicht. Dae geef dich die gewich neit: die knoeit met het gewicht.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gewicht , gewicht , gewichte , gewichten , Ook gewichte (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. gewicht, zwaarte Ik heb altied hetzulfde gewicht (Bov), Die vrouw is nog wal aordig an het gewicht zij is behoorlijk zwaar (Hijk), Dat leg gien gewicht in de schale (Dwij), Die zwien hef het gewicht nog niet is nog niet op gewicht (Sle), Die gef altied goed gewicht het juiste gewicht of iets meer (Geb), De winkelier gef gien gewicht geeft te weinig (Row), Dat is een zaok van gewicht belangrijk (Gie) 2. gewicht van een kastklok De klok mot optrökken worden, want het gewicht hank zowat op de grond (Emm), zie ook punder 3. gewicht van een weeginstrument Daor mus nog een gewicht bie op (Ros), zie ook wicht III
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gewicht , wicht , wichte , het, de , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook wichte (Zuidwest-Drenthe) = 1. gewicht De koe hef de wichte (Hgv), Hij gef goed wichte (Pes) 2. klokgewicht (Zuidwest-Drenthe, noord) De wichte van de klokke moej optrekken (Wsv), z. ook gewicht
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gewicht , gewicht , gewicht
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gewicht , wichien , 25 kg vis
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gewicht , gewich , gewichien , gewicht. Vârkns baovm ’t gewich wilt ze in Londn niet hebbm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
gewicht , gewicht , wicht, wichte , zelfstandig naamwoord , et 1. gewicht, zwaarte; licht op ’t gewicht qua gewicht 2. gewicht van een klok (om op te trekken) 3. gewicht om mee te wegen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gewicht , wicht , gewicht
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal