elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: glimmen

glimmen , glimmen , (sterk werkwoord) , glimmen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
glimmen , glimmen , glanzig zijn, bv. van laken, zijde, enz., ook van schoenen (en ander leergoed), die gepoetst zijn. Spottend: glimmen as ’n moezepietje dat vertind is.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
glimmen , glimmen , (sterk werkwoord, intransitief) , Zie de wdbb. – Zegsw. Hij staat te glimmen, van iemand die aan de kaak is gesteld, “in zijn hemd staat”. – Bij de 17de-eeuwse Amsterdammers vindt men hij staat (of zit) en glimt gezegd van iemand die door een onverwacht voorval of door een plotselinge ontgoocheling verbluft, beteuterd staat te kijken. Zie Ned. Wdb. V, 89. – Zie ook zegsw. op vrouw.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
glimmen , glemmen , glöm, eglömmen , glimmen, blinken. Het gleamp as ’n speigel.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
glimmen , glemm , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: gleamp, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: glum< , glinsteren. De panne gleamp nog, er zit nog hypotheek op ’t huis
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
glimmen , gloime , werkwoord , 1. Glimlachen. 2. Ingehouden, vals lachen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
glimmen , glimme , sterk werkwoord , Glimmen, in de zegswijze glimme as ’n butterdiggel (as ’n keersemakersgat, as ’n peerdekeutel) in de maneskoin, erg glimmen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
glimmen , glimmen , sterk werkwoord, onovergankelijk , glimmen De vrouwlu bint niet eerder tevrene mit het schonemaken of alles mut glimmen (Ruw), Een jas mit glimmende knopen (Sle), Die broek, die moe’k zo zachies an mar ies uuttrekken, want die begunt veur de kneien te glimmen (Klv), Hij glimt as een zwart kalf in het duuster (Klv), Dat is zo’n dikke vrouw, zai glimt van het vet (Vtm), Hij glimt as een ekkel (Pes), ...as de weerlocht (Klv), ...as een spiegel (Dwij), ...as gold (Wijs), ...as een kikkerskont(ien) (Sle), ...as een hondekeutel in de maoneschien (Smi), ...as een vertinde hondenkeutel... (Hgv), ...as een peerdekeutel in de slaoëulie (Sle), ...in de maoneschien (Rui), ...as een kiepekeutel (Dwi), ...as een haonekeutel in de maoneschien (Gas), ...as een hondekeutel in duustern (Vtm), ...as por en mor (Anl), ...as Klonie Geert zien kaast (Dro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
glimmen , glimmen , glimmen. Det glimt as een keersemakerskuntien in de maoneskien, det glimt as een ondekeutel in de maneschijn ‘dat ziet er heel mooi uit’, Det glimt as een zwät kalf in ’t duuster ‘daar zit geen glans meer op, (fig.): daar zit geen toekomst m
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
glimmen , glimmen , glimken , werkwoord , kort of fijntjes glimlachen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
glimmen , glimmen , werkwoord , 1. glimmen, glinsteren 2. gloeien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
glimmen , glimpe , werkwoord , glimp, glom, geglomme , glimmen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
glimmen , glimpend , bijvoeglijk naamwoord , glimmend
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
glimmen , glumme , werkwoord , glimmen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
glimmen , glimme , sterk werkwoord , glimmen; WBD III.4.4:241 'glimmen = blinken; Dirk Boutkan glimme - glóm - geglómme
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal