elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: granzen

granzen , [kreunen, schreien] , graanzen , kreunen, schreien, van zieke kinderen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
granzen , graanzn , werkwoord, zwak , dreinen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
granzen , granze , werkwoord , 1. Vervelend huilen, dreinen. 2. Mopperen, foeteren. 3. Motregenen. Vgl. Fries grânzje. Zie ook het N.E.W. onder grijnen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
granzen , graanzen , kreunend geluid van koeien voordat ze gaan kalven.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
granzen , graanzen , graanzeln, graanzern, granzen , Ook graanzeln (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe), graanzern (Wijs), granzen (vs) = 1. grommen, grauwen van een hond of varken, ook kermen van ziek kind (wb:Midden-Drenthe en Kop van Drenthe), van magere biggen (wb:Eel) of kreunen van een koe (wb:Rol) Is die hond wel te vertrouwen? Hij graanst dunkt mij zo (Uff), Hee kan toch granzen as een schepershond (vs) 2. snauwen, mopperen Hij graanst altied an (Dwi), Daor moej aal niet over liggen te graanzen, schei nou mor is een maol oet (Eex), Het olde mense zat mor op de kiender te graanzen (Hgv) 3. dwingerig zeuren of schreien door kinderen (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) Dat kind is dik verwend, het döt niks as graanzen en sjaantern (Row), Dat kind, dat graanst de hiele dag (Schn), Al is alles niet naor je zin, daorumme heuf ie nog niet zo te graanzeln (Bei) 4. gezegd van stoffen, die bij het doorslikken een onplezierig gevoel geven (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, N:Kop van Drenthe) Dat stuk spek is zo zolt, het graanst je deur de haals hen (Eex), Die soep was zo zolt, die graanst oe deur de hals (Koe), zie ook gieren 5. knerpen, piepen, knarsen Dat rad van de waogen begunt aordig te graanzen (Nor), Het zaand graanst mij tussen de koezen (Ruw), De slaot graanst mij tussen de koezen; ie moot ze beter schone maeken (Die), Kaor graanst der over (And), Dizze heng mot smeerd worden, die graanst (Eex), Het graanst oe in de oren (Hgv) 6. inpikken, graaien (Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën) Hie graansde ’t hum net veur de neus vort (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
granzen , granen , (wb, dva) = kreunen van pijn door een ziek kind
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
granzen , graanzen , werkwoord , 1. snauwen, mopperen 2. een doordringend, krassend geluid maken 3. zeuren (van een kind) 4. een aanhoudend nijdig geluid maken (door een hond)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal