elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: grasje

grasje , grùsken , zelfstandig naamwoord , 1 grashalmpje, 2 oud 6-centstuk
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
grasje , grassies , zelfstandig naamwoord meervoud , Sprietjes (gemaaid) gras. | D’r zitte allegaar grassies onder je skoene.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
grasje , graos , graspol
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal