elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: grauw

grauw , [erg, vreselijk] , grou , (grauw), voor: erg, vreeselijk: “al schelt men daor ook nog zoo grou.”
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
grauw , graow , grao , (bijvoeglijk naamwoord) , graowe , grauw, grao arften, grauw erwten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
grauw , grau , grou , (= grauw), voor: zeer donker, aan duisternis grenzend (Ommelanden); ’t is grau boeten = ’t is grau in de lucht (of: lōcht); ’t wordt grau = de avond valt; ’t grau op iemand hebben = op hem gebeten zijn, een hekel aan hem hebben; Friesch grou = hekel; ’n grau wicht (Fivelgoo) = meisje van ongeveer tien tot twaalf jaar. In andere streken van de Ommelanden beteekent: grauen, graugoud zooveel als: kinderen; kindergoud, kinderspul, enz.; lutje grauen (of: grouen) = kleine kinderen, lujōngs, kinderschröt, enz.
grau rit (Oldampt) = opgeschoten jongens tot het grauw behoorende.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
grauw , grauw , greeuw , (bijvoeglijk naamwoord) , Daarnaast greeuw. Zie de wdbb. || Haal ers ’en kop greeuwe orten (erwten). – Zegsw. Zo grauw as ’en zeelt.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
grauw , grou , zie grau *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
grauw , grauw , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , grijs
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
grauw , greêuw , bijvoeglijk naamwoord , Grauw. | We ete meist nooit meer greêuwe urte.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
grauw , sjrau , bijvoeglijk naamwoord , sjrauer, sjrautste , guur weer; onvriendelijk.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
grauw , grau , grauer, grautste , grijs. I meert zeen alle kėtjes grau: d.w.z.: in maart zijn alle katten krols.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
grauw , krau , onzijdig , janhagel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
grauw , grauw , graauw , Ook graauw (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = grauw, grijs Hie was hielmaol grauw in het gezicht (Wee), Het was een grauwe lucht (Zwin), Het is wat grauw um de bos, der kun wel ies regen komen (Die), Grauwe törf turf van het grauwveen (Exl), Grauwe arften met spek is zwaor te verteren (Bei), Hij keek graauw en gries oet (Bco), ...goor en grauw (Eri), ...gries en grauw van de kaolde (Sle), Het worde mij gries en grauw veur de ogen (Hgv), Het smak net grauwe törf smaakt naar niets (Bov) *De aole grieze grauw / Stiet aal naacht in de dauw / Hie hef gien vleis of bloed / En döt aal mensken goed van een molen (db); In het donker binnen alle poesies grauw is alles gelijk (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
grauw , grauw , de , (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe) = veenlaag, zit onder het bolster boven op het zwarte veen ‘Laag bolster is geschikt voor turfstrooisel, grauw niet’ (Coe), ‘Grauw is de bovenste laag vast veen, dat nog doorgroeid is met wortels’ (Eel), ‘Grauw zit onder het bolster en droogt ook op tot een hardere turf, als die ervan gemaakt wordt’ (Eri), ‘Bolster is beter om bouwgrond van te maken dan grauw’ (Schn), ‘Bolster zat boven aan, als er niet veel darg zat. Op plaatsen waar wel darg zat, zat geen bolster, daar zat het grauwe veen boven aan. Zat er veel darg, meer dan een meter, dan zat er geen grauwe en geen bolster’ (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
grauw , grauw , de , grauwen , snauw Wat scheelt er an, alles giet met een grauw en een snauw (Coe), De hond gaf gien grauw bromde in het geheel niet (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
grauw , grauw , (Kampereiland, Kamperveen) grauw
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
grauw , graow , grauw, ongewassen , És iemes 'n graow kléúr hi dan zègge ze, és dieje mèns mér niks ónder de leej hi. Als iemand een grauwe kleur heeft dan zeggen ze, als die man maar niet ziek is.
És iemes 'r graow ûtzie kan't ók zén dét'tie z'n aojge al lang nie mér gewaase hi. Als iemand er vies uitziet kan het ook zijn dat hij zichzelf al lang niet gewassen heeft.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
grauw , grauw , zelfstandig naamwoord , de; grauw, snauw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
grauw , grauwe , graauwe , zelfstandig naamwoord , de; rug, in verb.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
grauw , grauw , bijvoeglijk naamwoord , 1. vaalzwart 2. groezelig, niet helemaal wit 3. grof gebouwd 4. ruw in de wijze waarop men zich uitdrukt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
grauw , groüw , bijvoeglijk naamwoord , grauw , (bijv.nw) groüw VB: groüw woülke trokke langs d'n hiémel.; vaal groüw VB: groüw woülke trokke langs d'n hiémel.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
grauw , kroüw , zelfstandig naamwoord onzijdig , [geen mv.] , gepeupel
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
grauw , grèùw , grauw, grijs , ’n Grèùw lócht. Een grauwe lucht.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
grauw , grauw , bijvoeglijk naamwoord , grauwe , 1. grijs 2. niet schoon (van was) 3. vaalbleek: grauw kieke – een vaalbleke gelaatskleur hebben 4. ongepast: grauwe kal – ongepaste/onwelvoeglijke taal; eine grauwe petroeën – iemand die ongepaste taal uitslaat zie ook grs, nöt
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
grauw , graw , bijvoeglijk naamwoord , donker, grauw
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal