elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: grijper

grijper , grieprd , zelfstandig naamwoord, mannelijk , inhalig mens
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
grijper , grieper , grieperd , griepers , 1. iemand die grijpt Dat is toch zo’n grieper, hij zit overal an (Coe), Die man is wel een grieperd harde werker (Eel), Dat is ook gien grieper werkt niet graag (Gas), De kieper is een beste grieper (Die), Pas op, doe alles mor good achter slöt en grendel, want er zit nog wal is een grieper under het volk (Hijk), ook van iemand die (te) erg op eigen voordeel uit is (Hgv) 2. grijper, kraan Even de grieper der bie, dan is de sloot zo klaor (Bco), De bieten wordt met de grieper op de auto laoden (Dro) 3. hand (Zuidwest-Drenthe, zuid) Blief der of mit oen grote griepers (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
grijper , grieper , grieperd , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand die overal wat van probeert mee te nemen, stiekem probeert mee te pakken, inhalig iemand 2. kind dat veel grijpt 3. handen 4. graafwerktuig, gravend, grijpend onderdeel van een machine
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
grijper , graoperd , (zelfstandig naamwoord) , inhalig iemand. Wat is die vent een graoperd.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal