elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hakmes

hakmes , hakkemes , zelfstandig naamwoord , mes om bij ’t klompenmaken de hakholte uit te snijden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hakmes , hakmes , het , 1. hakmes De slager hef een hakmes, mor ij gebruukten ok een hakmes veur het stienen bikken (Sle) 2. (veend. Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën) mes van de beul bij de persmachine, ‘in de vorm van een groot broodmes’ (Eri), zie ook beulmes, kapmes *Hakmes, lepel, scheer of bril kinderspelletje waarbij men bij iemand op de rug zat die het voorwerp moest raden dat men uitbeeldde (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hakmes , akmes , akkemes , hakmes. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: akkemes
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hakmes , hakmes , zelfstandig naamwoord , et 1. halvemaanvormig snoeimes 2. groot slagersmes 3. klein, rond ploegmes aan een steel aan de ploeg geschroefd 4. Iemand met een brutale mond
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal