elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: halen

halen , [hoogte] , halen , in: Hooghalen, en: Laaghalen, gehuchten onder de gemeente Beilen; zou beteekenen: hoogte, en dus om hunne hooge ligging aldus genoemd zijn. In Friesland heet eene hooge streek achter Damwoude: de Halen. Kil. hil, hêlle = heuvel; Eng. hil, Oostfr. hel, helle = heuvel, hoogte. ODuitsch halde = helling, hellend oord; AS. heald = gebogen. Vergel. het Oudfr. hel = hoog, droog.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
halen , haolen , haelen , hueld = haalde, imperf. van: haolen, haelen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
halen , halen , (werkwoord) , haalde en h(i)eel, ehaald , halen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
halen , hoalen , voor: gevangen genomen, gearresteerd; twei sjandarms hebben hem guster hoald en in de bais brocht (Winschoten). Heeft in den onvoltooid verleden tijd: houl (Oldampt, Westerwolde); huil (Goorecht); hil, en: hoalde (Ommelanden).
hoel (Nijziel, enz.) = haalde; Drentsch hueld = haalde.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
halen , halen , (zwak werkwoord) , zie zegsw. op asem, boodschap, kind, opgooien, ruis, en vgl. aanhalen, afhalen, doorhalen, ophalen, uithalen, verhalen en handje-haal. – Vgl. prijsie halen op prijs, alsmede beentje-haal en berriehaalder.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
halen , hoalen* , vergel. huil .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
halen , huil , hiel, hil , (beschaafder: hiel ), zie houl *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
halen  , haole , haol, haols, haolt, haolde, gehaold , halen., Umvaer haole, omwerpen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
halen , haaln , werkwoord, zwak , halen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
halen , hale , werkwoord , in de zegswijze niet veul hale, niet veel oogsten, weinig rendement of verdiensten hebben. – Haald worre, overlijden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
halen , haole , haolde, haet of is gehaolt , halen. Zich gėt oppẹt lief haole: zich iets op de hals halen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
halen , höäle , de noabere óppe koffie nuëje as ge örges pas ziet kome woëne. Ge hád zeuve noabere: drie vánne kaerk áf, veer óppe kaerk á. Dit aantal waas âfgestemd óppe begreffenis, ge hád namelijk zaes draegers nuëdig vur de kist en iënen vur ut kruüs. Dát waas deen, deen ut doënst bi-j de kaerk woënde.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
Halen , Haolen , plaatsnaam , Halen Hij leup Hieken en Haolen in ’t ronde maakte een omweg (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
halen , haolen , zwak werkwoord, onpersoonlijk , (Zuidoost-Drents zandgebied) = uitdrogen In meert kan het mangs zo haolen of De oostenwind haolt, dan is het haolderig weer (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
halen , halen , haelen, haolen, haoll , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook haelen (Zuidwest-Drenthe, noord), haolen (Noord-Drenthe)Ook uitgespr. als haoll (Kop van Drenthe) = 1. halen Haal mij de zoltpot even (Bor), Het zal mij beneien of daor nog wat te halen is; het leek hiel wat, maar de arfgenamen zult raar opkieken (Ruw), Ie kunt de hond haelen je kunt me wat (Dwi), Hij wet wal van halen, mor betalen is lauw (Hijk), Die mag een aander der graog even wat deur haolen (Vri), Haal er maor een streep deur (Odo), De bijen haolt goud (Don), Ze hebt de törf bij mekaar haald bijeengebracht (Eri), Het vellegie moej der eerst ofhaelen (Die), As hij het lappen kan, dan zal e der oet haolen wat er in zit (Vri), Ie keunt nich altied halen, dan meuje ok wat brengen (Bov), Ie moot nog brood haelen! (Die), Hie hef hum de baord der of haald flink de waarheid gezegd (Sle), Toe jong, haol hum als iemand moet vluchten (Gas), Zie hebt het er an de oren bijhaald erbij gesleept (Sle), Zij hebt hum ies goed mit een twieg aover de rugge haald (Ruw), Dat koren giet hum nou nog evenpies halen; het is goed weer aanzetten in de groei (Geb) 2. redden Aj nou hard loopt, dan haal ie het nog net (Hgv), Hie hef een akte haald (Bui), Die man haolt het niet hij gaat sterven (Anl), Hie haalt de aovend niet mèer (Wes) 3. halen bij de geboorte van een kind Het gunk niet zo vlot, de eerste; de dokter hef het kiend mutten halen (Hgv), Die vroedvrouwe hef al hiel wat kiender haald (Ker) 4.trekken Ie haalt mij alles deur mekaar (Ruw) *De oostenwind haolt droogt uit (Pdh); Noordenwind haalt niks, man het brengt ok niks brengt voor- noch nadeel (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
halen , haolen , halen. (haol, haolde, gehaold).
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
halen , holen , een knecht of meid ‘installeren’. De knechten en meiden uit de buurt verzamelen zich ’s avonds in het huis van hem of haar die in een nieuwe dienst gekomen is (meestal rond 24 februari, Sint Mathijs); men leidt ze het huis rond om hen de voorwerpen, die bij hun werk nodig zijn, te tonen; men brengt de knecht naar de paardenstal en hakselkist, men wijst de meid waar het melkgereedschap en de bezem enz. staat. Vervolgens wordt er gedanst en de nieuwe knecht en meid schenken jenever.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
halen , alen , werkwoord , halen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
halen , haelen , haolen , werkwoord , halen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
halen , haole , werkwoord , haol, haolde, gehaold , 1. moeilijk ademen, hijgen Aai zatte haole as een mos die de pip heb Arie zat te hijgen als een mus met een luchtwegverstopping Hejje hard gelôôpe? Je haol sôô Ook hichte 2. halen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
halen , hoële , werkwoord , hool, gehaold , halen , (o.t.t. ich haol, dich heuls, hër heult, vuur hoële, dier haolt, zié hoële) (volt. deelw.: gehaold). Zw: De wysvroûw hèt 't keend gehaold (vero.) Zw: Oe hebs te dich dat kaw noé weer gehaold: opgelopen.; opdoen (een ziekte opdoen) hoële (zie 'halen') VB: Oe hèt 'r zich dy kaw noé gehaold?
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
halen , hoale , hoole , halen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
halen , holde , haalde
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
halen , alen , (werkwoord) , alen, e-aald , halen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
halen , hâle , halde, gehald , halen, behalen , Èfkes iejt hâle bèij den Boerenbónd. Eventjes iets halen bij de Boerenbond. , Óns team halde d’n uurste prijs. Ons team behaalde de eerste prijs.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
halen , hoeale , hoealtj, hoealdje, gehoealdj , halen , Koeale hoeale óm de staof te stoeake: tongbreker voor niet-Thornenaren.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
halen , hoeële , werkwoord , hoeëltj, hoeëldje, gehoeëldj , halen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
halen , haole , werkwoord (zwak) , haole - hòlde - gehòld , halen; (B): haole - haolde - gehaold; in tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping: g+/h+ hòlt; Cees Robben: we hòlde hòst gin òssem? hij zòtter êenen haole; waoter haole; Cees Robben: èfkes en frisse neus haole; ómdèk de gouwe(brölòft) tòch nie haol; Henk van Rijen: 'As ie hòlt, dan hólt ie ut' - Als hij holt, dan haalt hij het. WBD III.1.2:80 'halen' = trekken; WBD III.1.2:88 'halen' = pakken, voor de dag halen; ook 'vatten'; hòlt; haalt; Henk van Rijen: assie hòlt, dan hòltie et- als hij hard loopt, haalt hij het -tegenwoordige tijd 2e + 3e pers.enk. van 'haole' (met vocaalkrimping)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
halen , haole , haolde – gehaold , halen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal