elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hand

hand , hand , 1) Van de hand slaan. Afslaan, verwerpen; 2) Bij de hand zijn beteekent hier niet alleen, gelijk elders, digt bij zijn, te huis, te spreken zijn, geen
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hand , ende , de uitdrukking: bii den ende! beteekent: aan de hand (ze hebben van alles bii den ende).
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
hand , [document] , handje , schriftelijk bewijs, obligatie; ook Gron.; HD. Hand. In Gron. ook: zijn hand of schrift van iemand hebben = geen schriftelijk bewijs van eene geleende som.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hand , hann’ , handen. Ook in Gron. wordt de d bijna niet gehoord.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hand , hand , (vrouwelijk) , hände , hand.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hand , handje , schriftelijk bewijs, obligatie; ook Drentsch; hij het mie d’r ’n handje van geven = ik heb een schriftelijk bewijs in handen; gijn hand of schrift van iets, bv. geleend geld, hebben = geen enkel bewijs van den schuldenaar bezitten; ’k wil die d’r wel ’n handje van geven = ik sta u voor de waarheid er van in; ’t zal zóó gebeuren als ik u zeg. Hoogduitsch Handschrift = schuldbrief, obligatie.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hand , hand , – iemand noa de hand goan = hem naar de oogen zien, hem in alles te wille wezen; veur de hand, ook: bie de hand opkriegen = niet uitzoeken, bv. van appelen (’t eerste ook Nederlandsch); iemand om de handen loopen = onder het werk steeds naloopen en op de handen zien, zooals bv. kleine kinderen de moeder plegen te doen; het werk op ìjn hand hebben, in den landbouw zooveel als: een zeker werk in éénen afdoen in plaats van bij gedeelten. Men maakt bv. al het hooi in hoopen (oppers), ofschoon men reeds vroeger een gedeelte er van had kunnen binnenhalen; is gijn hand an doan = (het voorwerp) is niet hersteld, of: gepoetst, enz. – Ook voor: personen, werklieden: hij het veul handen an ’t wark = hij heeft veel volk in zijn dienst, hij geeft veel handen werk. Zegswijs: hij (of: zij) het zien handen de zoalighaid beloofd, wrevelig spottend voor: hij doet niets, hoe noodig hij ook aan ’t werk moet zijn zit of loopt hij toch ledig; Friesch: Hy het syn hannen de salichheid beloofd; ook: Hy jout syn hannen hjeljoun. ’t is net of é mit handenomkeerd is = of hij een geheel ander mensch (zoowel ten kwade als ten goede) is geworden. Spreekwoord: Handen stil, tanden stil = geen werk, of: niet werken, niet eten. Wordt gezegd van, en vooral door menschen, die van hun dagloon moeten leven. – De volgende deun wordt bij een meisjesspel, met de rechterhand krom en achterwaarts te houden, half zingende opgezegd: Geef mie wat ien mien kromme hand; Mien voader legt ien Engeland, Mien mouder zit te spinnen, Ik ken mien korstje brood nijt winnen. – (Van het meervoud wordt de d weinig gehoord; hann’ of hânn’ zou wellicht ’t best aan de uitspraak voldoen.) Vgl. ook: handje, stoan, en: bek.
achter hand, ook: achter de hand hebben of houden = in bewaring houden met het doel om het later te gebruiken; zij het altied wat geld achter hand, zooveel als: een spaarpotje om in tijd van nood te kunnen gebruiken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hand , hand , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zie de wdbb. || Wil-je ʼen éénhands of tweehands stuk (een snee brood zo dik, dat men het met één hand vasthouden kan zonder dat het doorbreekt, of zo dun, dat men het met twee handen moet steunen)? – Zegsw. Ergens het handje van hebben, neiging hebben iets te doen, dikwijls doen. Hij het er erg ʼet handje van, om laat te kommen. Evenzo elders in Holl. – Zie nog een zegsw. op kind. || Vgl. vaders handje mag, op spanbotten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hand , hand* , zie ook stoan *; mit handen omkeerd = geheel veranderd, vooral van karakter, (ook Friesch): Nederlandsch “omgekeerd als een blad aan een boom.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hand  , hand , (m.v. kort, enkelv. lang) , hendje , hand, Dao is wat aan et hendje, daar is wat te doen. De hand staon um verkierd, Hij deugt niet voor dat werk.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
hand , haond , vrouwelijk , haonde , heandtien , hand
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hand , haane , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , haann , heannken , hand. In de haane doon, aangeven; de haane geet noa binn too, ieder is zichzelf het naast; eenn ouwr de haane wean, iem. in de weg zitten bij iets; ouwr de haane houwn, 1 een terechtwijzing geven, 2 geluk geven bij koop; nen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hand , hând , v , hând , hèndje , hand(en) een hând, twee hând, hèndje(s) een hand, twee handen, handje(s); Iets án ’t hèndje hébbe Iets aan het handje hebben, verkering hebben.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hand , hand , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze erges mee om ’t hand zitte, onthand zijn, ergens mee verlegen zitten. – Hand an hand loupe, hand in hand lopen. – ’t Liep over de hand, het liep uit de hand. – Hand op z’n kant, op het nippertje, maar net aan. – Das Go(d)s hand, deer valt niet an te trekken (in te kietelen), daar is nu eenmaal niets aan te doen. – Hand van de bank, dut vlais is verkocht, voorheen gezegd door een vrijer om aan te geven, dat hij (en niet de concurrent) de oudste ‘rechten’ op een meisje had. Verkleinvorm handje, in de zegswijze d’r ’n handje van hewwe, er een (nare) gewoonte van maken, er slag van hebben. | Hai het er ’n handje van de boel op stang te jagen. – Al wat an ’t handje hewwe, al kennis of verkering hebben. | Het Piet al wat an ’t handje?. Meervoud hande, in de zegswijze z’n hande wappere leite, flink aanpakken, hard werken. – Twei linkse hande hewwe, zeer onhandig zijn. – Twei rech(t)se hande hewwe, zeer handig zijn. – Graag in hande wulle, graag willen vrijen of stoeien, graag aangehaald willen worden. – Je magge je hande wel dichtknoipe, je mag wel blij zijn, van geluk spreken. – Nooit mit lege hande loupe, heen en t’rug wat meeneme, aansporing die vooral gebezigd wordt door een moeder van een groot gezin.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hand , hanjt , vrouwelijk , hènj , hènjtje , hand. Mit de boks in de hènj loupe: hevige diarree (buikloop) hebben. “Zoo aut wie mien hènj, mer neit zoo aut wie mien tènj” ontwijkend antwoord op de vraag naar iemands leeftijd. Pesjtöösjhènjtjes: fijne zachte handen. Dae haet g
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hand , hand , zelfstandig naamwoord , hand. Dè kunde meej baaj oew hande (met beide handen) vatte. Dat is zonneklaar. Verkleinwoord: hèndje. Kinderen moeten ‘n schòòn of ’n goej hèndje geejve. Dat is het rechterhandje. Want aan je rechterzij staat je Engelbewaarder en aan je linkerzij de duvel, aldus het “Prentenboek van de Kinderbiecht”.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
hand , haand , haendtie , hand; * a’j den een haand egeem hebt, maa’j de vingers wè noatellen: die kun je niet vertrouwen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hand , haand , hand , haanden, haande, handen , Ook hand (Zuidoost-Drenthe) = 1. hand Die man gef altied een stevige haand (Wap), Ik zal hum even goed de haand schudden te grazen nemen (Klv), Wij geeft mekaor de haand en we praot nargens meer over (Dro), Ik wil dat oet de hand betalen, want dat mot nich op pepier contant betalen (Bco), Ik geef die de haand der op (Ros), ... dat ik het doe (Wsv), Aj op de haanden wast, wordt oen vingers aordig gevulig handwas doet (Bro), Pak mar wat je um besten veur handen stiet (Sle), Hie zat er aordig benepen bij, har niet veul geld um handen ter beschikking (Eex), IJ hebt veul te veul um handen, dat kuj niet naokommen teveel werk (Coe), Ik wil graag wat om handen hebben (Nije), zie ook umhands, Het wil niks van de haand vandaog het werk wil niet vlotten (Gie), Den hef de haande naor het wark staon zijn handen zijn geschikt voor het werk (Pdh), Hij hef de handen goed staon kan goed werken (Gro), Dat wark dat past hum, het lig hum zo veur de haanden dat werk kan hij goed (Hav), Wat was der gistern bie jou an de haand? (Bco), Ik heb niks veur haanden dat oe past in voorraad (Wap), Hij holdt hum de haand boven de kop dekt hem (Eri), Even de hand veur de ogen holden doen alsof men iets niet ziet (Klv), Aj wat ofspreekt, moej de haand der an holden (Oos), Aj een mooie tuun hebt, dan moej de haand der an holden er mee bezig blijven (Dwi), Ik kan hum neet in de haand holden (Dwi), Dat heb ie zölf in de haand (Bei), Daor duur ik de haanden wel veur in het vuur te stikken (Hgv), Hie streek met de hand over het hart (Pdh), Hie verdedigde zuk met haand en taand (Eex), Zie hebt de leste haand deran legd (Anl), Hij et bij hum oet de haande gedraagt zich zeer gedwee (Pdh), Hie hef de handen schoon holden zich niet gecompromitteerd (Sle), Dat dou ik op eigen hand op eigen houtje (Bco), Het wark wil hum wal van de hand gaat hem gemakkelijk af (Pdh), Hie stak de haand in iegen boezem (Zwe), Hij was op mien hand stond aan mijn kant (Bov), Zij hebben de hand der met licht (Erf), Dat mos van hoger haand (Vmu), Ik har de band lek, man ik har niks bie de hand (Bco), Dat hebt zij zölf in de hand warkt (Odo), Hie wil elk naor zien haand zetten (Zwin), Het bint twiej handen op ien boek (Pdh), Dende hef daor ok een handtien van um je veur de gek te holden (Pdh), Zij hebt er de haand op weeiten te leggen (Eex), Hie kun gien haand veur ogen zeein (Anl), Hie hef hum gooud under handen nummen (Eex), Hij kwam handen te kört, zo drok was het (Wei), Zien handen in onschuld wasken (Eex), De haanden uut de mouwen stikken (Dwi), Dat is gien waark veur mien haanden het is niets voor mij om dat te doen (Die), Zij zaten mit de haanden in het haor (Dwi), Hie hef zien handen verkeerd staon is onhandig (Gro), Die moej oet de handen blieven, ... niet in de handen vallen, die is gloepends stark (Sle), De handen jeuken mie ik zou graag willen ingrijpen (Eco), Hij mag de handen dichtkniepen, dat e gien zwoordere boete kregen hef blij zijn (Eex), Het is nou in goeie haanden, daor is hij net geschikt veur (Dwij), Zie draagt hum op de handen (Odo), Wat hij met de haande opzet, gooit hij met de kont weerum (Pdh), Dat lig wal veur de haand, daj heur hen hoes brengt (Oos), Het is oet de handen lopen (Hijk), ...oet de hand lopen (Bov), Oet de haand verkopen of verhuren zelf, mondeling, zonder notaris (Eel), Hij stek der gien haand naor oet doet niets om te helpen (Hijk), Laot de haanden mar ies flink wappern pak eens flink aan (Hgv), Hij wil het niet weten, mar hij hef er de haand in had er aan meegedaan (Bro), Hij kreeg geld op het haandtien contant geld (Hgv), As men ’s zaoterdags met bakker en winkelier liek is, stiet men weer met schone haanden is men zonder schulden (Sle), Daor kuj de handen haost niet ofholden (Val), Hej je handen verleuren? tegen iemand met de handen in zijn zak (Sle), Zij stonden haand in haand (Nor), Het gebeurt haand op haand vaak (Die), Zij hebt de haanden der of etrökken zich er niet meer mee bemoeid (Uff), Daor dreit hij de haand niet veur umme (Dwi), Hij haar het volk op zien haand (Dwi), Zie leeft van de haand in de taand (Wap), Haanden houwen, ...kloppen met de handen gekruist tegen de schouders slaan, om ze warm te krijgen (Sle), Zie hebt die auto van de haand daon verkocht (Hijk), Kuj mij een haandtien helpen? (Hol), Hij hef der een handje van (Ros), Zekt maor dag mit het haandtie zeg maar goeiedag, ook: je kunt er naar fluiten (Hgv), Hij haar alles bai de haand (Row), Hij hef de handen aordig lös an het lief deelt gemakkelijk klappen uit (Zwig), Zij hebben de handen in mekaar slagen zijn gaan samenwerken (Klv), De haand an de ploeg slaon (Hijk), Die vrouw hef een gat in de hand geeft veel te gemakkelijk geld uit (Bco), Hij is an de beterende haand (Hoh), Zij holdt de haand op de portemenee geeft niet gemakkelijk geld uit (Ruw), Aj hum een vinger geeft, nemp e de hele haand (Bei), Dat heb ik oet de eerste haand van iemand die erbij is geweest (Val), Hie nemp heur veul wark oet de handen (Oos), De eine haand mot de ander wasken (Bco), Hij pakte het met beide handen aan, ...met twiej haande (Pdh), Daor draait e de haand niet veur om dat doet hij zonder problemen, gemakkelijk (Row), Ik heb ’t hom an de haand daon (Rod), Hij is wat zwaor op de haand zwaarmoedig (Pei), Daor duur ik de haand wel veur opsteken voor in te staan (Een), Hij beloofde het met de haand op het hart (Nor), Dat is hum wal wat oet de hand lopen (Bui), Ik wil niet naor de diakonie de hand opholden, genaodebrood wil ik niet eten (Nam), Hij hef een mooie haand van schrieven een mooi handschrift (Hijk) 2. handtekening Woj even je haand der veur zetten? voor iets tekenen (Sle) 3. in ter haand (Zuidwest-Drenthe, zuid), veur de haand (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) of an de haand staon moetende kalven (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Wij hebt er nog twei an de haand (Ruw), zie ook raand *Veul handen maken licht wark (Klv); Beter ein vogel in de haand dan tien in de lucht (Nor); Geef mij de haand / Met verstaand / Met vermaak / Die is raak (Hijk), ...mit verstand, mit fatsoen, zo moej doen gezegd, terwijl men iemand een klap tegen het gezicht gaf (Bov); De linker haand möt niet weten, wat de rechter döt (Ndo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hand , háánd , hand. mv. háánd. verkl, hèndje. Ik wilr m’n háánd nie um verdraejen, het is mij volkomen onverschillig. Ik goim ’n háánd geven, gaan plassen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hand , and , aand , annen, anen , äntien, aantien , (Kampen) (verkleinwoord äntien, meervoud annen), hand. Ook: aand (verkleinwoord aantien, meervoud anen) (Kampereiland, Kamperveen). Die ef d’annen verkeerd an ’t lief ‘die is onhandig’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hand , haand , zelfstandig naamwoord , de 1. hand 2. handvat
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hand , hááñs , uitdrukking , Oppie hááñs staon Op je standpunt staan
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hand , haand , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , han , henneke , hand , VB: Ich heb get aon de haand mêt dè.; (elkaar een hand geven) zich 'n haand gëve; handschrift haand (vr.) (-, -,) VB: Me groetvajjer Giéleske haw 'n sjoen haand, 'r sjrèf bié netëreske Brouwers.; han handen (grote handen hebben) han hebbe wie 'n rôffelsjöp; (met losse handen fietsen) zoonder han fitse VB: (ieste kier) 'Loor mama, zoonder han' (twiede kier) 'Loor mama, zoonder tan'.; (handtastelijk worden) z'n han neet bié zich kênne hawe; vingers (op de vingers kijken) op de han lore VB: Ich kên d'r neet tinge es ze mich toezjoer op m'n han zién aon 't lore.; aon de haand hebbe, 'nnen aon de haand hebbe verkering hebben (gezegd door meisje) 'nnen aon de haand hebbe; mêt haand en voot macht (met man en macht) mêt haand en voot; han wie kaol, han wie potloed zwarte (zwarte handen); han wie kaol; han wie potloed; wal (aan lager wal) aon lieger haand VB: Veuger wäor dy femiélie zoe riék es wäoter deep meh ze zién gaans aon lieger haand gerak.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hand , hàànd , hand
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hand , hèndje , handje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hand , twieje hàànd vôl , twee handen vol
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hand , âând , hand.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
hand , and , (zelfstandig naamwoord) , annen , äntien , hand. Uitdr.: IJ ef ter een äntien van ‘hij heeft er een handje van’; Iets um annen ebben ‘iets te doen hebben’. Zie ook: kladden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hand , haand , haande , hand , knoeste van haande = hele grote grove handen- agge daor ’n klap van krijgt dan overleefd’ut nie, want die ee-d d’un paor knoeste van haande = als je daar een klap van krijgt, dan overleef je het niet, want die heeft een paar grote grove handen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
hand , hând , hând , hèndje , hand , Veul hând mâke licht wèèrk. Vele handen maken licht werk. , Hèij hi ’n hántje in z’n hèndje. Hij heeft een haantje in zijn handje., Èrges ’n hèndje van èn hébbe. Ergens een handje van hebben. Een kwalijke gewoonte hebben.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
hand , haand , hand; zwarte haand, in het volksgeloof de brenger van onheil (W.-Veluwe); veur het haandje gaan, gemakkelijk afgaan, geen moeite hebben met iets (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hand , handj , (vrouwelijk) , henj , hendje , hand , Dao staek ich de handj neet vuuer in ’t veur. De handj ophaoje: bedelen. De henj juueke mich. De henj los höbbe zitte. Det ging ’m good vanne handj: dat lukte hem goed. Det liktj vuuer de handj. De uueverhandj höbbe/kriege. De vrieje handj höbbe. Emes de handj boeave de kop haoje. Emes ein handj inne rök haoje. Emes ónger henj numme. Emes op henj drage. Gein handj vuuer ouge kónne zeen. Get mèt twieë henj aanpakke. Get óm henj höbbe. Get ónger henj höbbe: ergens aan werken. Hae haet de rechse handj ane linkse kantj: hij werkt niet graag. Henj en veut reure: zich inspannen. Henj höbbe wie koeaelesjöppe. Ich höb ouch mer twieë henj. Inne henj spieje. Mètte handj uuever zien hert strieke. Örges de henj vol aan höbbe. Örges ein hendje van höbbe: een (hinderlijke) gewoonte hebben. Örges mèt henj en veut aan vastzitte. Pestoearshendjes höbbe: fijne, zachte handen hebben. Twieë henj op eine boek. Wae kónne neet kaarte, wae höbbe de handj neet: we kunnen niet kaarten, want we hebben niet genoeg spelers. Zich inne henj vrieve. Zien henj verkieërdj höbbe staon: erg onhandig zijn. Zwaor oppe handj zeen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hand , hanjdj , zelfstandig naamwoord , henj , henjtje , hand; vrouwehenj en paerstenj moge noeët stilstaôn – vrouwenhanden en paardentanden mogen nooit stilstaan (m.a.w. vrouwen dienen altijd iets omhanden te hebben); henj(tjes) wie eine meister – handen als van een schoolmeester, d.w.z. handen van iemand (zoals een onderwijzer) die duidelijk geen handenarbeid verricht, geen werkhanden; dae gauw is mèt de henj is auch gauw mèt de tenj – wie snel is met zijn handen is ook snel met zijn tanden; de hanjdj höbbe – met voldoende mensen zijn om te kaarten; zich get inne henj laote duje – een kat in de zak kopen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
hand , hând , hândj , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , hang , hendje , eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; hand
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
hand , haand , zelfstandig naamwoord , hèndje , "hand; het meervoud = haand of haande; Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Den timmerman zen schaand is den schilder zen haand. (= De schilder moet de fouten v.d. timmerman bedekken); R.J. der was iets òn de haand; De Wijs - Hij kan mee z’n 2 linkse haande nog behoorlijk uit de voete (17-10-1972); Cees Robben - In de schônste stad van ’t laand/ kwaam... En mee gin lege haand/ Tôôntje... [Prent over de geboorte van de 127.000ste Tilburger, genaamd Tôôntje van Zundert. ‘De schonste stad van et laand’ is de volksnaam voor Tilburg.] (19540213) ; Cees Robben – En mee ’t aai in baai z’n haand... (19560428) ; Cees Robben – M’n haande vol blèène... (19570309); Cees Robben – Hij vruutte meej z’n haand in ’t zaand (19600219); Cees Robben – En heddet ôôt ter haand gehad (19600624); Cees Robben – Dur ’n vrouwehaand bedisseld... (19700220); Cees Robben – ’t Schilt mar amper haand of keer (19710129) [Het scheelt maar een klein beetje; haand en keer zijn waarschijnlijk commando’s die de voerman aan zijn paard geeft]; Cees Robben – ’t Schou mar haand of kèèr (19620518); gezegde: Pierre van Beek – Et ha mar haand òf keer geschouwd - het was op het nippertje.(Tilburgse Taalplastiek 170); Wettie mee zun haande rèègt zet, stôt ie mee zun kont wir om! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990); èn as mene vriend dè wir perbeerde,/ zègt dan: ""Haawt oew haande tèùs"". (Henriëtte Vunderink; Mene listen biecht; k Zal van oe blèève haawe, 2007); Kernkamp, Dialectenquete 1879: Hij haaudt 'nen dikken stok in de haand; Brabantse spreekwoorden (Mandos): ge vouwt er de haande van saome (Pierre van Beek – Tilburgse Taalplastiek 1970) - uitroep van verbazing; Brabantse spreekwoorden (Mandos): gin weeren in de haande krèège (Pierre van Beek – Tilburgse Taalplastiek 1972) - 'n hekel aan werk hebben; Frans Verbunt: oopaa wòrre kunde meej oew haanden in oew zakke; Jan Naaijkens, Dès Biks (1992) - 'hand' zelfstandig naamwoord- hand; mv. 'hande'; Brôod vatte in oew haand om op te eeten en gin enkele sneekes mar dubbele bottramme, die waaren ok beter in oew haande te vatten. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); Meervoud: naast haande ook haand: Ons moeder zeej dan aaltij, as we in de sneuw bezig waren: ‘Krèègde gullie naa nôot gin kaaw haand, doe toch un paor handschoenen aon’. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Ons haand hèn we allêen asser un krèùs gemaokt moes wòrre, öt onze zak gehaold. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); -derhaand; suffix; -(d)erlei; twidderhaand, driederhaand, fèfderhaand, zisderhaand; Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): twidderhaande"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
hand , hand , hand , hendje , hand
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal