elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hangzolder

hangzolder , hangzolder , galerij in een kerk.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
hangzolder , [galerij van een kerk, open ruimte] , hangzòlder , (mannelijk) , galerij in eene kerk.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hangzolder , hangzolder , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Meestal in verkl. hangzoldertje. In een oliemolen. De zolderbeschotten onder het wentelas-zolder, die daar zijn aangebracht om, als er iets van het gaandewerk mocht breken, de stukken op te vangen en de beneden werkende mannen voor ongelukken te behoeden. – Een hangzolder is dus een hangende zolder. Vgl. Oost-Fri. hangelböne, een klein plankenbeschot, dat onder de hoofdbalken is aangebracht en daaraan door middel der zijmuren bevestigd is, zodat het aan de balken hangt (KOOLMAN), en Ned. hangkamer (VAN DALE), Mnl. hangcamer(ke) (De Gids 1890, II 260 en 268), Mnd. hangelkamer (LÜBBEN).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hangzolder , hangzòoldr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , galerij
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hangzolder , hangzolder , de , (Midden-Drenthe, vs) = galerij In de kerk hier hebt ze een hangzolder (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hangzolder , hangzoolder , zelfstandig naamwoord , de; kraak in kerk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal