elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: heiden

heiden , heiden , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , De heidenen bennen an ʼt erfdeel, het gaat er onordelijk toe, ieder doet wat hij wil. De uitdr. is ontleend aan Psalm 79:1, volgens de berijming van Dathenus: “De heydʼnen zijn in u erfdeel gevallen, sy hebben ontheylight onder hen allen den Tempel schoonˮ. De Staten-vertaling heeft: “O Godt, Heydenen zijn gekomen in uwe erfenisseˮ, de Biestkens-bijbel en de Bijbel van Deus-Aes: “Heere, Heydenen zijn in dyn (u) erve ghevallenˮ. – Men zegt ook: de heidenen hebben het erfdeel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
heiden , hàejn , zelfstandig naamwoord, mannelijk , hàejns , hàejnken , zigeuner
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
heiden , heiden , haaiden, haiden , heidens, heidenen , Ook haaiden, haiden (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = 1. heiden, ongelovige, vandaar ook onverschillig persoon (Midden-Drenthe) Dat is ok zo’n heiden, die geleuft an gien God noch gebod (Sle), ...die steurt zuk an God noch gebod (Gas), Dat is een dikke haaiden, die kerel (Row), Heidens nuumden wij vrögger zigeuners en woonwagenbewoners (Hgv), Hij leeft daor as een heiden (Die), Het gung an as een heiden het was een hels spektakel (N:Sle), Deilen as de haidens het spek (wb) *Een heiden bekeren is christelijk wark, een christen bekeren is heidens wark (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
heiden , heiden , bijvoeglijk naamwoord , van hei Daor lig een mooi heiden dak op dat huus (Klv), Die hadden nog een heiden gevel, ...een heidegevel (Sle), Veur het vegen bruuk ik een heiden bessem (Eex), Vrouger muiken wai bussen schoon met een haiden bounder (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
heiden , eiden , 1. heiden; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: dom mens
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
heiden , heiden , bijvoeglijk naamwoord , van heide
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
heiden , haaiden , zelfstandig naamwoord , haaidene , ongelovige, persoon zonder kerkgenootschap
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal