elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kleumerig

kleumerig , klommereg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1 kil, 2 niet goed bij
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kleumerig , kleumerig , kleumig, kleums , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook kleumig (Midden-Drenthe, Veenkoloniën), kleums (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = kleumerig, rillerig Wat kiek ie toch kleums toe (Dwi), Hè wat bin ik toch kleumerig vandage, ik kon wel griep onder de leden hebben (Nam), Dat is kleumerig laand koud en nat in het voorjaar (Anl)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kleumerig , klumerig , kleumerig , bijvoeglijk naamwoord , 1. kleumerig 2. koud en evt. vochtig, zodat men kleumerig kan worden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal