elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klungelarij

klungelarij , klunglderieje , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , geklungel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
klungelarij , klongelderi’je , zelfstandig naamwoord , de; het steeds maar klungelen, niet opschieten, het onhandige gedoe
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klungelarij , [prutswerk] , klungelerie , (vrouwelijk) , prutswerk
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal