elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kniehalster

kniehalster , kneihälster , kniehalster
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kniehalster , kneehalstr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , touw om hoorn en poot van de koe
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kniehalster , kniehelstere , zelfstandig naamwoord , zie *kniebande .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
kniehalster , kniehalster , de , halster voor het vee om weglopen te verhinderen De pinken hadden vaak een kniehalster an as ze ondeugend waren (Sle), Een kneeihalster was een touw um de nak en an een veurpoot (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kniehalster , kni’jehelster , kni’jhelster, kni’jhalster , zelfstandig naamwoord , et; knieband gebruikt bij het kniepoten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal