elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kraaien

kraaien , kreyen , kraaijen. De doove zegt, Aleer kreiden de hanes, noe gaapt se.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
kraaien , krèjen , (zwak werkwoord) , kraaien.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kraaien , kraien , (= kraaien), voor: uitgalmen, uitgillen, zooals de vischvrouwen doen; “Juust dou ze an ʼt kraien was, bats, doar kreeg ze ʼn gapse vol nadde snij vlak in heur bakhoes.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kraaien , kraaien , (zwak werkwoord) , vgl. verkraaien.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kraaien  , kreie , kraaien. De raekening steit te kreie, de rekening staat reeds lang open.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kraaien , kreeien , zwak werkwoord , kraaien
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kraaien , kreejn , werkwoord, zwak , kraaien; t kreejt oew duurn haals, ’t is afschuwelijk zout
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kraaien , krèêje , kraaien krèêje van plezier kraaien van plezier.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kraaien , kreeë , kreede, haet gekreet , kraaien. Dao sjteit noch gėt te kreeë van dich: je hebt nog schuld bij mij.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kraaien , krèèje , kraaien van de haan.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
kraaien , kreijen , kraaien (werkwoord).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kraaien , kreien , kreien, ekreid , kraaien.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kraaien , krèeien , zwak werkwoord, onovergankelijk , Voor var. z. krèei = 1. kraaien Vrou in de mörgen begunt de haone te kraaien (Erf), Laot ze mor hen krèeien doorschreien (Sle), Hij kraaide het uut van plezier (Klv), Zie is ok weer an het krèeien, zie komt der bovenoet van hard zingen (Eex) 2. schrijnen (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Wat is het èten ja zolt, het kreit mij deur de hals (Hgv) *Vrogger kreiden de hanen, nou doet ze allend de bek nog lös, zee de dove boer (Nam)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kraaien , kreijen , kraaien, van een baby.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kraaien , kreien , werkwoord , kraaien
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kraaien , krèèjn , kraaien.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kraaien , kraoje , kraaien , D’r stôn’ner nog nen hóóp te kraoje. Er staan er nog een heleboel te kraaien. We moeten eerst nog een heleboel schuld aflossen.
Kraojt d'n haon 'saoves, dan is’sew lot: méérege mok of d'n haon kepot. Kraait de haan ‘s avonds, dan is je lot: morgen mist of de haan dood. Tegenslag op de boerderij of slecht weer.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kraaien , kri’jen , kraaien , werkwoord , 1. kraaien van hanen 2. met hoge en schelle stem zingen, lachen 3. plezierige kreetjes e.d. voortbrengen: door kleine kinderen die nog niet kunnen praten 4. nonsens uitslaan 5. in d’r uut kri’jen ervandoor gaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kraaien , krieje , werkwoord , kriejde, gekriejd , kraaien , VB: Es de haone krieje gèit 't rëngele.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kraaien , kraoie , kraaien.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
kraaien , kreien , (werkwoord) , kreien, ekreid , kraaien. Dät kleine jonk kon kreien!
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kraaien , krèèje , kraaien , Frans wul âlt kunning krèèje. Frans wil altijd koning kraaien.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kraaien , krejje , krejtj, krejdje, gekrejdj , kraaien , Dao krejtj geinen haan nao. De baby krejdje van plezeer. Ein hoon kakeltj es ze ein ei lèktj, einen haan krejtj, mer lèktj gein eier.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kraaien , krejje , werkwoord , krejtj, krejdje, gekrejdj , kraaien; eine haan krejtj het helst op zienen eige mèsthaûp – thuis heeft iedereen het meeste lef/de meeste praatjes
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kraaien , krejje , werkwoord , kraaien
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kraaien , kreie , kreide – gekreid , kraaien
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal