elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: miniseren

miniseren , [minderen] , mienezeren , (intransitief werkwoord) , minderen, inkrimpen, afnemen. De koeien mienezeren, d.i. ze minderen in het melk geven. Zijn drift mienezeert, hij wordt bedaarder.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
miniseren , minderzijêrn , voor: de hoeveelheid van lieverlede verminderen, bv. een dier telkens een weinig minder melk of ander buitengewoon voedsel geven, of: een zieke minder van het geneesmiddel toedienen, dan eerst was voorgeschreven; wie mouten nō wat minderzijêrn, het dokter zegd. In dien zin het tegengestelde: meerderzijêrn, meederzijern = vermeerderen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
miniseren , minnezéren , Sparen, ménager. Géf de varkens maor mêl en minnezeert de eerappels. Î mot üm van u maagpîne òf te kommen, u ʼn betjen minnezéren met èten d.i. voorzichtig zijn met eten, niet te veel eten.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
miniseren , [minderen] , minnezeeren , minnezieeren , Sparen, ménager. Géf de varkens maor mêl en minnez(i)eert de (i)eerappels. Î mot üm van u maagpîne òf te kommen, u ʼn betjen minnez(i)eren met èten, d.i. voorzichtig zijn met eten, niet te veel eten.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
miniseren , meendrezeern , werkwoord, zwak , minderen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
miniseren , mienezere , minnezere , afzwakken. Je mot je eise wat minnezere.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
miniseren , minnezére , werkwoord , Minder worden, afnemen. | De kiespoin minnezeert al.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
miniseren , minisére , minisere, minesere, menisere , werkwoord , (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Mont, Bens, Lop, Cab), menisere (LPW: Pols), minesere (LPW: Pols) 1. verminderen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Mont, Bens, Pols) Als minisere ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 92). In Gouda betekent minnezeere ‘verminderen, besparen’ (Lafeber 1967, p. 131). 2.(ww) iets geringer doen voorkomen dan het in werkelijkheid is, de waarheid afzwakken (KRS: Werk, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab); ‘Hij miniseert de zaak.’ (Werk) Waarschijnlijk afkomstig van het franse minimiser , dat zowel ‘tot een minimum terugbrengend’ als ‘als onbelangrijk voorstellen’ betekent. Van Dale (1992, p. 1836) noemt miniseren minder juist voor minimaliseren , met de betekenissen ‘zo klein mogelijk maken, tot het uiterste terugbrengen’ en ‘als onbeduidend voorstellen’. De Krimpenerwaard kent miniseren in de betekenis van ‘verminderen (van eten, uitgaven)’ (Van der Ent 1988, p. 77).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
miniseren , mienieseren , verminderen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
miniseren , minderzeren , verminderen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
miniseren , minderseren , minderseiern, miniseren, meneseren , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook minderseiern, miniseren, meneseren (Zuidwest-Drenthe), als timmermansterm meneseren (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. kalmer aan doen Wij zult wel minderseren moeten, de tied wordt slechter (Wes), Dat peerd wordt mie te niedske, ik zal hum wat minderseiern meuten minder voeren (Bco), Ie mut oe wat miniseren rustiger aan doen (Hgv) 2. minderen Wij komt krap te zitten met het voor, wij moet het wat minderseren (Emm), Het wordt een boetenraam, je moot bij de onderregel wel meneseren hout wegnemen van een pen bij een pen-en-gatverbinding om een waterdichte sluiting te krijgen (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
miniseren , minneseren , minder worden, minder maken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
miniseren , minnezeern , verminderen. Iej mossn dat kroegloopm mâr ’s ’n bettien minnezeern.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
miniseren , menneleseren , menleseren, minneseren, miniseren , werkwoord , de pen van een pen-en-gat-verbinding zodanig kleiner, dunner maken dat er een overstekend deel ontstaat dat tegen het hout sluit waar de pen in steekt, waardoor men de naad niet meer kan zien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
miniseren , mindereseren , werkwoord , 1. bezuinigen op de uitgaven, minder geld uitgeven 2. minderen bij breien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
miniseren , miniseren , minnezeren, minderzeren , 1. verminderen; 2. vermageren, afvallen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal